Naar boven ↑

Rechtspraak

gepensioneerden/Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26 april 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:3851
Het niet verhogen/indexeren van de pensioenuitkering is niet in strijd met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Feiten

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT) is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van (artikel 1 van de) Pensioenwet. Gepensioneerden zijn (verplicht) deelnemers geweest in PMT. Inmiddels zijn zij gepensioneerd en ontvangen zij een periodieke (vroeg)pensioenuitkering van PMT. De hoogte van deze pensioenuitkering is sinds 2008 niet (meer) geïndexeerd. Over de jaren 2013 en 2014 heeft PMT een korting toegepast van respectievelijk 6,3% en 0,4%. Op 28 april 2021 hebben gepensioneerden een brief verzonden aan PMT. In deze brief stellen gepensioneerden zich op het standpunt dat PMT in strijd handelt met het Europees recht door jarenlang indexatie van de pensioenuitkeringen achterwege te laten. Verder verzoeken gepensioneerden in deze brief dat PMT dit standpunt bevestigt en dat PMT het gemis aan indexatie compenseert. PMT heeft in een brief van 21 mei 2021 gereageerd op de brief van gepensioneerden en geschreven dat er volgens PMT geen sprake is van het in strijd handelen met Europees recht. Partijen voeren in deze procedure discussie over de vraag of PMT in strijd handelt met artikel 17 van het EU Handvest (en de daarop gebaseerde rechtspraak van het HvJ EU) door de pensioenuitkering van gepensioneerden sinds 2008 niet meer te verhogen c.q. te indexeren.

Oordeel

De kantonrechter gaat er in deze procedure van uit dat gepensioneerden zich kunnen beroepen op artikel 17 van het EU Handvest en de daarop gebaseerde rechtspraak van het HvJ EU. Dit betekent evenwel niet dat PMT in strijd handelt met artikel 17 van het EU Handvest door de pensioenuitkeringen van gepensioneerden (sinds 2008) niet te indexeren. Anders dan gepensioneerden stellen, kan uit het Albany-arrest niet de conclusie worden getrokken dat indexatie van de pensioenen een ‘wezenlijke voorwaarde’ vormt voor de rechtvaardiging van het alleenrecht dat een bedrijfspensioenfonds heeft op het beheer van een pensioenregeling van een bedrijfstak. Voorts zal de stelling van gepensioneerden worden verworpen dat de niet-inflatiebestendigheid van het pensioen in strijd is met de IORP II-richtlijn. In tegenstelling tot wat gepensioneerden menen, heeft het HvJ EU in het Brachner-arrest ook niet vastgesteld dat met een pensioenaanpassingsregeling de koopkracht van alle pensioenen minstens behouden moet blijven. Tot slot kan evenmin op basis van het YS-arrest worden geconcludeerd dat het gedurende lange tijd niet indexeren van de pensioenuitkeringen in strijd is met artikel 17 van het EU Handvest. In de onderhavige procedure gaat het niet om een inhouding op een ‘directe prestatietoezegging’ oftewel een pensioenrecht. Ook is in de pensioenregeling van PMT geen (contractueel bedongen) welvaartsvastheidsclausule opgenomen die het PMT verplicht om de pensioenuitkering van gepensioneerden te verhogen als sprake is van inflatie, zoals bij het YS-arrest het geval was met de stijging van de salarissen. De pensioenregeling van PMT kent (en kende) slechts de mogelijkheid tot voorwaardelijke verhoging. Zolang niet aan die voorwaarde (dekkingsgraad) is voldaan, bestaat er voor PMT geen verplichting om de pensioenuitkering van gepensioneerden te verhogen. Spiegelbeeldig gezien bestaat er voor gepensioneerden geen recht om aanspraak te maken op de toekenning van de verhoging van de pensioenuitkeringen zolang de dekkingsgraad van PMT niet boven het (door de wetgever bepaalde) percentage van 110% uitkomt. Het betreft aldus slechts een onzeker uitzicht tot waardevermeerdering van de pensioenuitkering. Een onzeker uitzicht tot waardevermeerdering is naar het oordeel van de kantonrechter echter geen eigendomsrecht in de zin van artikel 17 van het EU Handvest. Omdat geen sprake is van een eigendomsrecht, kan het niet verhogen van de pensioenuitkeringen niet in strijd zijn met artikel 17 van het EU Handvest. Zelfs wanneer ‘de pensioenuitkering’ van gepensioneerden als zodanig kan worden beschouwd als een eigendomsrecht en dat recht is aangetast doordat het niet is verhoogd terwijl de koopkracht van gepensioneerden is gedaald, dan kan dat gepensioneerden jegens PMT niet baten. In het YS-arrest is namelijk ook overwogen dat het door artikel 17 lid 1 van het EU Handvest gewaarborgde recht geen absolute gelding heeft, zodat het niet aldus kan worden uitgelegd dat het een recht op een pensioen van een bepaald bedrag doet ontstaan. Dit betekent volgens het HvJ EU echter niet dat artikel 17 van het EU Handvest zonder meer kan worden beperkt. Een eigendomsrecht kan volgens het HvJ EU alleen worden beperkt als die beperking (i) bij wet is gesteld, (ii) de wezenlijke inhoud van dat recht eerbiedigt alsook, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, (iii) noodzakelijk is en (iv) daadwerkelijk beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang die worden erkend door de Unie. Aan al deze voorwaarden is voldaan.