Naar boven ↑

Rechtspraak

Transport Europe B.V./werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 8 maart 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:641
Kort geding. Het hof oordeelt voorshands dat partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval niet eerder dan op 1 maart 2020 zou eindigen en dat de werkgever het loon c.a. moet doorbetalen tot 1 maart 2020.

Feiten

Werknemer is met ingang van 1 maart 2019 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Transport Europe tegen een brutoloon van € 5.371,50 per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Sinds 14 november 2019 heeft Transport Europe het overeengekomen loon niet meer aan werknemer betaald. Partijen twisten over de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet met ingang van 1 augustus 2019 met wederzijds goedvinden is beëindigd, waarbij er sprake van verschillende kopieën van een beëindigingsovereenkomst. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd dat Transport Europe wordt veroordeeld tot betaling van (achterstallig) loon, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, over de periode vanaf 14 november 2019 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met afgifte van een deugdelijke bruto-nettospecificatie. Tevens heeft werknemer betaling gevorderd van een bedrag van € 500 (netto) aan salaris over de maand september 2019, een bedrag van € 429,72 (bruto) aan vakantiebijslag over de periode van 1 maart 2019 tot en met 28 februari 2020. De kantonrechter heeft werknemer in het gelijk gesteld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat op de verschillende kopieën van een beëindigingsovereenkomst die in het geding zijn gebracht, verschillende data zijn vermeld waarop de arbeidsovereenkomst zou eindigen: 1 augustus 2019 en 1 maart 2020. Transport Europe vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en afwijzing van de vorderingen van werknemer.

Oordeel

Het hof overweegt allereerst dat partijen twisten over de vraag of de arbeidsovereenkomst al dan niet met ingang van 1 augustus 2019 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Partijen betogen over en weer dat de overgelegde exemplaren van de beëindigingsovereenkomst voor wat betreft de einddatum zijn vervalst. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat nader onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden welk exemplaar van de beëindigingsovereenkomst de juiste is. Dergelijk onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Gelet op de omstandigheden dat werknemer ook na 1 augustus 2019 nog werkzaamheden heeft verricht voor Transport Europe en dat Transport Europe op 9 december 2019 nog een vakantieverklaring voor werknemer heeft ondertekend, acht het hof evenals de kantonrechter voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen niet zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2019 zou eindigen. Uit niets blijkt dat partijen met ingang van 1 augustus 2019 met elkaar een nieuwe, mondelinge arbeidsovereenkomst zouden zijn aangegaan, zoals Transport Europe in hoger beroep heeft aangevoerd en werknemer gemotiveerd heeft betwist, en Transport Europe heeft over de inhoud (en het eindigen) van die volgens haar later gesloten arbeidsovereenkomst ook niets gesteld. Dat alleen werknemer in staat zou zijn geweest de bijschrijving 01-03-'20 op de beëindigingsovereenkomst te plaatsen nadat deze reeds was ondertekend door Transport Europe, zo begrijpt het hof hetgeen Transport Europe aanvoert, is gemotiveerd betwist door werknemer en kan in rechte ook niet tot uitgangspunt worden genomen. Het hof gaat er daarom voorshands vanuit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in ieder geval niet eerder is geëindigd dan per 1 maart 2020. Daaruit volgt naar het voorlopige oordeel van het hof dat werknemer over de periode tot 1 maart 2020 jegens Transport Europe aanspraak had op doorbetaling van het overeengekomen loon en vakantiebijslag. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.