Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 28 april 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:3257
Feiten
Werknemer is sinds 1 september 2020 in dienst bij Flexurance B.V. (hierna: Flexurance) voor de duur van een jaar in de functie van accountmanager. Op 13 augustus 2020 is een aanvulling op de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd getekend waarin een relatie- en concurrentiebeding is opgenomen. Deze aanvulling bevat in artikel 2 een relatiebeding, inclusief motivering waaruit blijkt dat het relatiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen van werkgever. Vervolgens is in artikel 3 het concurrentiebeding opgenomen, zonder toelichting. Na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn partijen uiteengegaan. Werknemer vordert vernietiging of schorsing van het concurrentiebeding, dan wel beperking van de duur van het concurrentiebeding tot maximaal een half jaar, dan wel toekenning van een billijke vergoeding. Werknemer legt hieraan ten grondslag dat het concurrentiebeding nietig is omdat sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd en er in strijd met artikel 7:653 lid 2 BW geen schriftelijke motivering is opgenomen. Flexurance heeft dit betwist en vordert in reconventie dat de voorzieningenrechter werknemer op grond van het relatiebeding verbiedt werkzaamheden te (gaan) verrichten voor oud-werkgever van werknemer MOOTIO Eindhoven B.V. (hierna: MOOTIO).
Oordeel
De voorzieningenrechter geeft het volgende voorlopige oordeel. De aanvulling op de arbeidsovereenkomst bevat geen motivering voor het daarin opgenomen concurrentiebeding zoals bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW. De motivering bij het relatiebeding in artikel 2 noemt alleen het relatiebeding, zowel in de aanhef als in de afsluitende zin. Er wordt geen enkele verwijzing gemaakt naar het in artikel 3 opgenomen concurrentiebeding. Ook in artikel 3 wordt geen enkele verwijzing gemaakt naar de in artikel 2 gegeven motivering. Nu de motivering geheel ontbreekt, moet het voorshands ervoor gehouden worden dat geen rechtsgeldig concurrentiebeding is overeengekomen en dat in een eventuele bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het non-concurrentiebeding nietig is. De gevorderde schorsing wordt daarom toegewezen. Hoewel de geldigheid van het relatiebeding niet ter discussie staat, verschillen partijen van mening over de uitleg en reikwijdte ervan. Flexurance stelt dat het relatiebeding ook ziet op relaties die zij en MOOTIO gemeenschappelijk hebben. Werknemer betwist dit, omdat als dat zo zou zijn, het volgens hem voorbij zou gaan aan het doel van het relatiebeding, namelijk het voorkomen van het wegtrekken van relaties van Flexurance ten gunste van MOOTIO waardoor Flexurance schade lijdt. De voorzieningenrechter overweegt dat het relatiebeding geen onderscheid maakt tussen exclusieve en niet-exclusieve (gemeenschappelijke) relaties waardoor in beginsel ook gemeenschappelijke relaties onder bedoeld verbod kunnen vallen. Werknemer heeft onvoldoende toegelicht op grond waarvan hij ervan mocht uitgaan dat gemeenschappelijke relaties van een toekomstige werkgever niet onder het beding zouden vallen. Flexurance daarentegen heeft voldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij het beschermen van haar bedrijfsdebiet ten aanzien van de gemeenschappelijke relaties, zodat er voorshands van wordt uitgegaan dat werknemer het relatiebeding ook ten aanzien van gemeenschappelijke relaties moet respecteren. Het relatiebeding voorziet echter niet erin dat werknemer helemaal geen werkzaamheden kan (gaan) verrichten voor MOOTIO. Als de meeste relaties van MOOTIO ook relaties van Flexurance zijn, beperkt dat werknemer in zijn mogelijkheden, maar dat sluit een in dienst treden bij MOOTIO niet per definitie uit. Daarvoor zou nu juist een concurrentiebeding aangewezen zijn. De vordering in reconventie wordt afgewezen.