Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is sinds 9 maart 2009 in dienst van Stichting ASVZ (hierna: ASVZ), laatstelijk op de afdeling Crediteuren. Het salaris van werkneemster bedraagt € 1.935,06 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, op basis van een 24-urige werkweek. Werkneemster is op 4 december 2017 arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 6 november 2019 is aan werkneemster een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend per 2 december 2019. Werkneemster heeft op 17 december 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 4 februari 2020 heeft zij een afspraak bij de bedrijfsarts gehad. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat werkneemster in staat is het eigen werk stapsgewijs te kunnen oppakken. Vanaf 21 april 2020 heeft werkneemster werkzaamheden verricht op de afdeling Kassen & Banken. Met ingang van 31 augustus 2020 werkt zij gedurende 24 uur per week op de afdeling Crediteuren. Bij besluit van 5 juni 2020 heeft het UWV het bezwaar van werkneemster tegen het besluit van 6 november 2019 gegrond verklaard en zij wordt alsnog per 2 december 2019 geschikt geacht voor haar eigen werk. Vanaf 2 december 2019 heeft werkneemster geen recht op een WIA-uitkering. ASVZ heeft op 2 juli 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 5 juni 2020. In eerste aanleg heeft werkneemster achterstallig salaris gevorderd over de periode van 2 december 2019 tot 1 juli 2020. De kantonrechter heeft ASVZ veroordeeld tot betaling van het verschuldigde loon vanaf 21 april 2020, omdat werkneemster vanaf 21 april 2020 werkzaamheden verricht waar loonwaarde tegenover staat. Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld en vordert onder meer betaling van haar achterstallig salaris over de periode 2 december 2019 tot en met 30 september 2020. ASVZ heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Oordeel
Op 15 december 2021 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat het besluit van 5 juni 2020 wordt vernietigd en de toegekende loongerelateerde WGA-uitkering wordt ingetrokken. Werkneemster heeft daardoor met ingang van 2 december 2019 recht op de bij het primaire besluit aan haar toegekende WGA-uitkering en deze uitkering kon niet eerder worden beëindigd dan met ingang van 2 december 2021. De WIA-uitkering is ten onrechte met terugwerkende kracht ingetrokken. Het UWV kon de WIA-uitkering van werkneemster niet eerder intrekken dan met ingang van 2 december 2021. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of, gelet op de inhoud van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, het tijdsverloop in deze zaak en het feit dat werkneemster sinds 31 augustus 2020 haar eigen werkzaamheden weer volledig verricht, een inhoudelijke uitspraak in kort geding nog wel opportuun is. En zo ja, in hoeverre (de omvang van) de door werkneemster ingestelde vordering met het oog op de uitspraak van 15 december 2021 aanpassing behoeft. Het hof ziet daarom aanleiding om de mondelinge behandeling te houden, zodat partijen de betekenis van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam voor deze procedure kunnen bespreken.