Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 mei 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:2669
Feiten
Werknemer is sinds 1990 bij Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. (hierna: KLM) werkzaam, laatstelijk als senior purser. Op 16 juni 2019 verbleef werknemer tussen twee vluchten door in een crewhotel van KLM in Buenos Aires, Argentinië. Op deze dag heeft in meerdere Zuid-Amerikaanse landen, waaronder Argentinië, een massale stroomstoring plaatsgevonden. Op het moment van de stroomstoring was werknemer in de sportzaal van het hotel op de loopband aan het rennen. Naast werknemer was nog een andere collega van KLM in de sportzaal aanwezig. De loopbanden in de sportzaal waren gelegen op een verhoging met twee treden. Werknemer is bij het verlaten van de sportzaal van (een van) deze treden gevallen, waarbij hij zijn enkelbanden en -pezen heeft (af)gescheurd en schade aan zijn kraakbeen heeft opgelopen. KLM heeft voor de medewerkers die letsel oplopen, een ongevallenverzekering afgesloten, die voor vliegend personeel ook geldt gedurende de ‘sliptijd’ (de wacht- of rusttijd, verder de wachttijd) in het buitenland. De kosten van de verzekering worden door KLM gedragen. De maximale uitkering is 36 maanden (drie jaar) brutosalaris. Het ongeval van werknemer is bij de verzekeraar gemeld. De aanspraak is vastgesteld, maar de omvang van de schade nog niet. Op 27 juli 2020 heeft werknemer KLM aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. KLM heeft de aansprakelijkheid afgewezen. Werknemer verzoekt in dit deelgeschil bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking een verklaring voor recht dat KLM aansprakelijk is voor zijn schade. Werknemer legt aan zijn vordering primair de werkgeversaansprakelijkheid van artikel 7:658 BW ten grondslag. Volgens werknemer is er sprake van een schending van de zorgplicht, waardoor hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen. Subsidiair stelt werknemer dat KLM zich niet heeft gedragen als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW.
Oordeel
Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW?
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het begrip ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ van artikel 7:658 BW wordt volgens vaste rechtspraak ruim uitgelegd. Dat werknemer op het moment van het ongeval niet ‘aan het werk’ was, maar in het crewhotel aan het sporten was, betekent niet zonder meer dat de schade niet is opgetreden ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ als bedoeld in artikel 7:658 BW. De vraag rijst of bij het gebruikmaken van sportfaciliteiten van het crewhotel tijdens de wachttijd tussen vluchten, nog sprake is van activiteiten die binnen het bereik van artikel 7:658 BW vallen. De wachttijd is enerzijds inherent aan de werkzaamheden die werknemer voor KLM verrichtte. Tegelijkertijd kan anderzijds de wachttijd ook niet volledig als werktijd worden aangemerkt. KLM-medewerkers kunnen deze tijd naar eigen inzicht invullen. Zij zijn niet verplicht om gebruik te maken van de (sport)faciliteiten. KLM heeft ook geen zeggenschap over de wijze waarop de medewerkers de wachttijd invullen; KLM heeft geen bevoegdheid de medewerkers hierin instructies of aanwijzingen te geven. Dit laatste acht de kantonrechter doorslaggevend. De zorgplicht van de werkgever hangt nauw samen met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek en zijn bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. De aansprakelijkheid van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW berust op de zeggenschap van de werkgever over de werknemer en diens bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven. Tussen de uitoefening van de werkzaamheden (het fungeren als purser aan boord van een vliegtuig) en het gebruikmaken van de sportzaal van het crewhotel bestaat een onvoldoende nauwe band. De conclusie is derhalve dat KLM voor de gevolgen van het ongeval niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW.
Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW?
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW overweegt de kantonrechter dat het de vraag is of KLM zich niet als een goed werkgever heeft gedragen, waardoor zij de gevolgen van het letsel van werknemer dient te vergoeden. In de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BR5215) is aanvaard dat artikel 7:611 BW in bijzondere gevallen kan meebrengen dat, bij ongevallen die niet door artikel 7:658 BW worden bestreken, van de werkgever gevergd kan worden zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering ten behoeve van de werknemer. Deze uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever is in de rechtspraak aanvaard met betrekking tot schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als – kort gezegd – deelnemer aan het wegverkeer (HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215). Vaststaat dat KLM voor haar medewerkers een collectieve ongevallenverzekering heeft afgesloten, welke verzekering ongevallen als de onderhavige dekt en die door werknemer ook is aangesproken. Door de hoogte van het verzekerde bedrag is die verzekering adequaat te noemen. KLM treft in dat opzicht dan ook geen verwijt. De kantonrechter oordeelt verder dat KLM niet op andere wijze nog een verwijt treft waardoor zij de schade van werknemer dient te vergoeden. Het op verschillende plaatsen op de wereld verblijven in hotels kan zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet worden gezien als een bijzonder risico. Ook is onvoldoende gesteld en/of gebleken dat er in Argentinië of Zuid-Amerika een zodanige kans op stroomstoringen is dat dat moet worden gezien als een bijzonder risico. Het feit dat werknemer tijdens een stroomstoring in de sportzaal van het hotel is gevallen, kan ondanks de ongelukkige afloop, in zijn algemeenheid niet worden gezien als een bijzonder risico op schade of een bij KLM bekend specifiek en ernstig gevaar. Aldus is KLM niet tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van goed werkgeverschap, zodat het verzochte wordt afgewezen.