Rechtspraak
Feiten
Werknemer, geboren in 1952, is op 1 juli 1981 bij ABN AMRO in dienst getreden. Met ingang van 1 augustus 2015 is hij boventallig verklaard wegens het vervallen van zijn functie ten gevolge van een reorganisatie. Op de gevolgen van de reorganisatie is een sociaal plan van toepassing, overeengekomen tussen ABN AMRO enerzijds en de vakbonden FNV Finance, De Unie en CNV Dienstenbond anderzijds. Het sociaal plan bevat een ‘Mobiliteitsorganisatie’. In dat kader bepaalt het sociaal plan dat wanneer een werknemer binnen een jaar geen nieuwe functie binnen of buiten ABN AMRO heeft gevonden, de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Daarbij wordt een vergoeding aangeboden ter grootte van 75% van de zogenoemde ‘stimuleringspremie’. Deze stimuleringspremie kan worden ‘afgetopt’. Deze aftoppingsregeling houdt kort gezegd in dat de brutostimuleringspremie niet hoger is dan het brutosalaris tot de ‘individuele pensioenleeftijd’ van de werknemer. Werknemer is er niet in geslaagd binnen een jaar een andere functie te vinden. Zijn arbeidsovereenkomst is dientengevolge beëindigd per 1 september 2016. Werknemer bereikte de individuele pensioenleeftijd vóór 1 september 2016. Werknemer heeft geen stimuleringspremie ontvangen, omdat deze op grond van de aftoppingsregeling berekend werd op nihil (de ontslagdatum lag na de individuele pensioendatum). In deze procedure verzoekt werknemer ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan hem van een ontslagvergoeding van € 230.775 bruto, dat is 75% van de stimuleringspremie. Aan dit verzoek heeft werknemer ten grondslag gelegd dat de aftoppingsregeling in het sociaal plan krachtens artikel 13 WGBLA nietig is wegens verboden leeftijdsdiscriminatie. Zowel de kantonrechter als het hof heeft geoordeeld dat de aftoppingsregeling in strijd is met de WGBLA en derhalve als nietig buiten toepassing moet blijven.
De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsbeschikking (zie AR 2020-0086) het arrest van het Hof Amsterdam vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Hof Den Haag (hierna: het hof). De Hoge Raad oordeelde daartoe, kort gezegd, dat het oordeel dat de aftoppingsregeling geen passend en noodzakelijk middel is om de door ABN AMRO geformuleerde legitieme doelen te bereiken onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, is. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter, gelet op de ruime beoordelingsmarge van sociale partners, de door de sociale partners gemaakte keuzes met terughoudendheid dient te beoordelen.
Het hof heeft na verwijzing geoordeeld dat de ongelijke behandeling waarvoor een legitiem doel werd nagestreeft, passend en noodzakelijk bleek. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat een terughoudende toetsing van de gekozen middelen aangewezen is, nu het hier een regeling betreft die na onderhandelingen tussen de werkgever en de vakbonden tot stand is gekomen en die onderdeel uitmaakt van een breder scala aan afspraken in een sociaal plan.
Conclusie A-G Drijber
De ruime beoordelingsmarge van sociale partners om een evenwicht aan te brengen tussen hun respectieve belangen, en de flexibiliteit die zij hebben om een genomen maatregel zo nodig aan te passen, brengen mee dat de rechter gemaakte keuzes met terughoudendheid moet beoordelen. Het hof diende ten aanzien van de passendheid van de aftoppingsregeling te beoordelen of deze regeling niet kennelijk ongeschikt is voor het bereiken van de legitieme doelen die daarmee worden nagestreefd. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van de regeling is bepalend of zij op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de daardoor benadeelden, waarbij de regeling in zijn context moet worden geplaatst. Dat laatste betekent dat het noodzakelijk is acht te slaan op onder meer de door ABN AMRO opgerichte Mobiliteitsorganisatie en op de door ABN AMRO bekostigde pensioenmaatregelen (waaronder een extra storting van meer dan 500 miljoen euro in het pensioenfonds).
De beoordeling door het hof komt er, samengevat, op neer dat ABN AMRO en de sociale partners een evenwichtig sociaal plan zijn overeengekomen waarin voor de verschillende categorieën van werknemers rekening is gehouden met hun uiteenlopende posities wat betreft arbeidsmarkt, sociale zekerheid en pensioen. Onder andere is in de beoordeling betrokken de mate waarin werknemers door investeringen van ABN AMRO over alternatieve inkomensbronnen beschikken. In dat kader heeft ABN AMRO cijfermatig onderbouwd dat en waarom werknemer op zijn individuele pensioenleeftijd over een volledig pensioen beschikte, hetgeen door werknemer niet is betwist, en dat dit ook geldt voor de groep werknemers waartoe hij behoort. Met het sociaal plan is geen volledige inkomenscompensatie tot de AOW-leeftijd beoogd, maar het mitigeren van financieel nadeel, in het bijzonder de achteruitgang in inkomen, voor werknemers die hun baan verliezen. Uit het gedifferentieerde systeem van uitkeringen volgt niet dat juist de groep waartoe werknemer behoort, excessief zou zijn benadeeld. Dit oordeel is in lijn met de terughoudende toets, zoals die volgt uit de beschikking van de Hoge Raad, en is ook anderszins niet onjuist of onbegrijpelijk.
Waar het subonderdeel stelt dat ABN AMRO heeft volstaan met algemene bewoordingen over de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsreling gaat het eraan voorbij dat ABN AMRO in verschillende processtukken de systematiek van het sociaal plan, de pensioenregeling en de Mobiliteitsorganisatie heeft geschetst en inzicht heeft gegeven in de achtergronden van de aftoppingsregeling. Niet valt in te zien welke aanvullende informatie ABN AMRO had over moeten leggen.
Voorts wordt geklaard over de stelplicht en bewijslast, als ook over de (on)juiste toepassing van de excessieve inbreuk-toets. De A-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Oordeel
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.