Rechtspraak
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 augustus 2019 in dienst getreden van werkgever in de functie van magazijnmedewerker. Werkgever heeft op 30 juli 2021 een brief aan werknemer gezonden met de volgende inhoud: “(…) Op 31 juli 2021 eindigt jouw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege (01 augustus 2019 – 31 juli 2021). Hierbij laten wij namens werkgever je weten dat zij jouw arbeidsovereenkomst niet zullen verlengen. Dit houdt in dat je laatste werkdag (contractueel) zal zijn op 31 juli 2021. De eindafrekening van salaris, salarisstroken, niet genoten vrije dagen en vakantiegeld zal plaatsvinden eind augustus 2021. (…)” Werknemer heeft werkgever per brief van 1 september 2021 medegedeeld dat de toegezegde eindafrekening niet heeft plaatsgevonden en heeft voorts aanspraak gemaakt op een totaalbedrag van € 3.918,64, bestaande uit nog te ontvangen vakantiegeld en het salaris van de maand juli 2021. Bij brief van 16 september 2021 heeft werknemer werkgever gesommeerd binnen vijf dagen een totaalbedrag van € 5.366,79, inclusief buitengerechtelijke kosten en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW, te voldoen. Werknemer eist dat de kantonrechter werkgever veroordeelt aan werknemer te betalen € 5.366,78 met rente, bestaande uit een hoofdsom van € 3.918,64, de wettelijke verhoging van € 822,74 en buitengerechtelijke kosten van € 625,40.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt allereerst omtrent het uitstelverzoek van werkgever per e-mail van vrijdagmiddag 13 mei 2022 voor de mondelinge behandeling van maandagochtend 16 mei 2022. Werknemer heeft verklaard dat de brief voor de mondelinge behandeling is aangeboden aan de gemachtigde van werkgever op 3 mei 2022. Enkele dagen later is contact opgenomen met de gemachtigde van werknemer met de mededeling dat nog een voorstel zou worden gedaan. Dat is niet gebeurd. Op vrijdagochtend 13 mei 2022 is dat nogmaals gedaan. Tegen deze achtergrond acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat werkgever op tijd op de hoogte was van de datum van de mondelinge behandeling en vervanging had kunnen regelen. Ten aanzien van de eindafrekening begrijpt de kantonrechter dat het verschil in de berekeningen van werkgever en werknemer voortkomt uit netto-inhoudingen op het salaris dat werkgever heeft doorgevoerd, onder de noemer “inhouding divers”, “te veel ontvangen loon” en “voorschot” als mede uit het door werkgever toegepaste belastingtarief over het vakantiegeld. Werknemer heeft de grond voor de inhoudingen onvoldoende concreet onderbouwd. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat werknemer goederen heeft gekocht van werkgever die nog moesten worden afgerekend. Daarom wordt er in rechte van uitgegaan dat deze inhoudingen ten onrechte hebben plaatsgevonden. Werkgever heeft de juistheid van de herberekening van werknemer verder niet meer betwist en de kantonrechter ziet ook geen aanleiding daaraan te twijfelen. Dat geldt mede voor het in de berekening toegepaste (bijzondere) belastingtarief over het vakantiegeld, temeer nu werknemer ter zitting heeft verklaard dat het salaris bij werkgever zijn enige inkomstenbron was. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat werkgever in beginsel een bedrag van € 4.278,58 uit hoofde van de eindafrekening aan werknemer verschuldigd is. Omdat werknemer bij dagvaarding slechts een bedrag van € 3.918,64 gevorderd heeft en dit vanuit proceseconomisch oogpunt niet wenst te vermeerderen wordt dit bedrag aan hoofdsom toegewezen. Ook de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.