Naar boven ↑

Rechtspraak

Jabil Circuit Netherlands B.V./werknemers
Hoge Raad, 1 juli 2022
ECLI:NL:HR:2022:985
Uitleg pensioenovereenkomst leidt tot redelijke indexatie van pensioenen.

Feiten

X en Y, beiden geboren in 1954, zijn vanaf 1 april 1982 respectievelijk 1 januari 1980 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij Philips, laatstelijk bij de divisie Philips Contract Manufactoring Services (hierna: PCMS) van Philips Consumer Electronics. X en Y namen deel aan de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds Philips (hierna: PPF). De pensioenregeling bij PPF was een eindloonregeling met een pensioenleeftijd van 60 jaar. De pensioenregeling bij PPF bevatte ook een voorwaardelijk recht op indexatie na beëindiging van de actieve deelname. In 2002 is PCMS door Philips verkocht aan het Jabil Circuit-concern. De activiteiten van PCMS werden ondergebracht in Jabil, een toen opgerichte Nederlandse vennootschap. De arbeidsovereenkomsten van acht werknemers van de divisie PCMS (hierna: de oud-Philips werknemers) zijn van rechtswege overgegaan naar Jabil. 

In geschil is de indexatieregeling na uitdiensttreding, meer specifiek of Jabil, de (voormalig) werkgever van X en Y, gehouden is tot financiering van voorwaardelijke indexaties. Jabil is daar vanaf 2013 mee gestopt. Óf geïndexeerd moet worden hangt volgens het hof ervan af of het pensioenfonds van de vroegere werkgever van X en Y (Philips) in het betrokken jaar indexatie toepast. Jabil betoogt dat zij vanaf 2013 niet tot financiering van de indexatieregeling gehouden is omdat (a) zij daartoe op grond van de Pensioenwet en de pensioenovereenkomst tussen partijen niet verplicht is, en (b) zij er voor heeft gezorgd dat de waarde van het pensioen van X en Y hoger is dan het zou zijn geweest als zij tot hun uitdiensttreding bij Philips in dienst waren gebleven. Het hof heeft Jabil veroordeeld tot een in redelijkheid vast te stellen indexatie. 

Conclusie (A-G Drijber)

In het licht van het eindarrest begrijp ik deze rechtsoverweging zo dat het hof de verplichting tot financiering van indexaties niet zozeer inherent heeft geacht aan het voorwaardelijke recht op indexering, maar dat de inspanningsverplichting voortvloeit uit de afspraken in de pensioenovereenkomst. Het hof heeft niet geoordeeld dat de grondslag voor de financieringsverplichting is gelegen in het feit dat Jabil tot en met 2012 aanvullende stortingen heeft gedaan. Het doen van aanvullende stortingen vormt op zichzelf ook geen grondslag voor de verplichting die stortingen voor de toekomst voort te zetten. Door de stortingen te doen heeft Jabil, volgens het hof, enkel invulling gegeven aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit de pensioenovereenkomst. Het hof heeft dus niet geoordeeld dat er een wettelijke verplichting bestaat voor Jabil om, bij gebreke aan een daartoe strekkende afspraak in de pensioenovereenkomst, indexaties te bekostigen. Voor zover de klachten steunen op de aanname dat het hof zich heeft gebaseerd op de veronderstelling dat (1) een financieringsverplichting inherent is aan het voorwaardelijke recht op indexatie, of (2) het doen van (onverplichte) stortingen Jabil verplichtte die in de toekomst voort te zetten, missen zij eveneens feitelijke grondslag.

Het komt de A-G voor dat Jabil met haar argument probeert om met de pensioenverhogingen die X en Y ná het sluiten van de pensioenovereenkomst hebben genoten, de partijbedoelingen bij de totstandkoming van de pensioenovereenkomst te kleuren. In dit betoog zouden partijen hebben bedoeld het voorwaardelijke recht op indexatie van X en Y van nog een voorwaarde afhankelijk te maken: namelijk de vergelijkbaarheid van het pensioenresultaat ‘onder de streep’. Voor deze lezing heeft het hof geen feitelijke aanknopingspunten gevonden. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor omdat dan moeilijk valt in te zien waarom überhaupt een voorwaardelijke indexatieregeling voor X en Y is gecreëerd. Bovendien was ten tijde van het sluiten van de pensioenovereenkomst niet voorzien dat X en Y de pensioenverhogingen zouden genieten. Zij waren juist beducht voor een verslechtering.

Oordeel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).