Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 2 augustus 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:1376
Feiten
Bij brief van 29 januari 2013 betreffende de verplichte deelneming aan bedrijfstakregeling Metaal en Techniek hebben de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Technisch Installatiebedrijf, de Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek en de Stichting Private Aanvulling WW en WGA Metaal en Techniek (hierna: de Fondsen) aan ‘Air Control Europoort B.V.’ bericht dat zij is ingeschreven onder werkgeversnummer 201657. Climate Group Europort B.V. (hierna: CGE) heeft in verband met deze verplichting diverse keren loon- en premiegegevens bij de Fondsen aangeleverd en heeft tot aan het tweede kwartaal van 2019 alle nota’s van de Fondsen voldaan. Nadien bleek dat de administratie van CGE niet op orde was, hetgeen resulteerde in naheffingen. De Fondsen hebben CGE gedagvaard en gevorderd dat verschillende bedragen afzonderlijk aan de Fondsen worden betaald. Volgens de Fondsen is CGE een werkgever in de metaal en techniek en uit dien hoofde verplicht aangesloten bij de Fondsen. CGE heeft niet voldaan aan (al haar) betalingsverplichtingen jegens de Fondsen. Volgens CGE valt zij niet onder de werkingssfeer van de Fondsen en heeft zij slechts twee werknemers in dienst, die volgens haar niet onder de verplichtstelling vallen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en de Fondsen in de op nihil begrote kosten veroordeeld. De Fondsen hebben erkend dat CGE geen werknemer in dienst heeft. Gelet daarop hadden zij moeten onderbouwen waarom zij wel het uitgangspunten hanteren dat er werknemers in dienst zijn (geweest). De Fondsen zijn in hoger beroep gekomen en voeren aan dat er wel werknemers in dienst zijn geweest bij CGE. Uit het handelsregister volgt dat met ingang van 19 december 2014 de statutaire naam is gewijzigd in de huidige statutaire naam. Op 19 december 2014 is een nieuwe vennootschap opgericht met de statutaire naam Air Control Europort B.V., waarvan CGE de statutair bestuurder en enig aandeelhouder is. Uit gegevens die de Fondsen van CGE hebben ontvangen, waaronder loonstroken, volgt, in combinatie met de gegevens van het UWV, dat de werknemers van CGE per 1 juli 2018 naar de nieuwe vennootschap zijn overgegaan.
Oordeel
In eerste aanleg heeft CGE zich op het standpunt gesteld dat haar bedrijf niet onder de werkingssfeer van de Fondsen valt. Dat verweer gaat niet op. CGE heeft de nota’s van de Fondsen tot en met het eerste kwartaal van 2019 zonder protest voldaan. De Fondsen hebben een overzicht gegeven van de medewerkers die tot 1 juli 2018 bij CGE in dienst zijn geweest, en daarbij de tijdvakken vermeld waarover voor deze medewerkers geen premies en bijdragen zijn betaald. Per saldo is volgens de Fondsen nog een totaalbedrag van € 4.043,05 verschuldigd over de periode tot 1 juli 2018. Het hof gaat er daarom van uit dat CGE tot 1 juli 2018 werknemers in dienst had die werkzaamheden verrichtten op het gebied van airco-, verwarming- en luchttechniekinstallaties, waardoor zij onder de werkingssfeer van de Fondsen viel. Werknemers van CGE zijn per 1 juli 2018 overgagaan naar de nieuwe vennootschap. Dat CGE zich op het standpunt stelt dat zij alleen twee werknemers in dienst heeft die niet onder de verplichtstelling vallen, doet hieraan niet af. De gevorderde hoofdsom is toewijsbaar en CGE moet afzonderlijk de bedragen aan de Fondsen betalen. CGE wordt veroordeeld in de proceskosten.