Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24 juni 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:6732
Feiten
Lemm Int. Transport B.V. (hierna: Lemm) is een familiebedrijf dat actief is op het gebied van vervoer van zeecontainers. Het transport is beperkt tot het op- en afzetten van containers. Werknemer is met ingang van 21 juli 2014 voor bepaalde tijd in dienst getreden van Lemm in de functie van chauffeur. Het dienstverband is daarna verlengd voor onbepaalde tijd en is door opzegging van werknemer geëindigd op 3 november 2018. Werknemer vordert € 5.060,58 aan achterstallig loon.
Oordeel
Verjaring
Lemm heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van werknemer deels is verjaard omdat deze betrekking heeft op de periode 21 juli 2014 (datum aanvang dienstverband) tot en met 2 november 2018 (datum einde dienstverband) en niet eerder een deugdelijke stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. De kantonrechter overweegt dat de brief van 5 juli 2019 van de gemachtigde van werknemer aan Lemm waarin is medegedeeld dat werknemer een loonvordering op Lemm heeft, kan worden gezien als een stuitingshandeling. Hetzelfde geldt voor de brief van 23 december 2018 van werknemer aan Lemm. Nu de initiële verjaringstermijn van vijf jaar nog niet was verstreken toen Lemm de brieven van 5 juli 2019 en 23 december 2018 heeft ontvangen, is daarmee een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen, die nog niet was verstreken toen de dagvaarding werd uitgebracht. Het beroep op verjaring slaagt dan ook niet.
Rechtsverwerking
Lemm heeft tevens een beroep gedaan op rechtsverwerking. Werknemer zou nooit hebben geklaagd over de toepassing van de regels omtrent het vakantieloon. Het argument dat werknemer te lang niets van zich heeft laten horen gaat niet op. Het enkel stilzitten is immers onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Verder heeft Lemm wel gesteld, maar niet concreet gemaakt en onderbouwd, dat zij door dit late klagen van werknemer in haar verdedigingsbelang zou zijn geschaad, terwijl voorts ter zitting duidelijk is geworden dat voor wat betreft de onderhavige materie Lemm enkel de - relatief geringe - financiële aanspraak van werknemer ‘boven het hoofd hangt’. Ook is niet gesteld of gebleken dat toewijzing daarvan Lemm onredelijk in haar rechtspositie zou benadelen. Aldus bezien is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die, in samenhang met het genoemde ‘stilzitten’, een beroep op rechtsverwerking rechtvaardigen.
Inhoudelijk
Tussen partijen is in geschil of werknemer te weinig loon heeft ontvangen tijdens de gedurende het dienstverband opgenomen vakantiedagen. Het gaat hier om overuren. Lemm heeft uitvoerig en gemotiveerd bestreden dat sprake was van een verplichting tot het verrichten van overwerk. Daartoe heeft zij onder meer uiteengezet dat zij weekendritten in de regel afhield, dat alle ritten dagelijks met inachtneming van de voorkeuren van de chauffeurs werden ingepland, dat eventuele overuren op eigen verzoek worden gemaakt, dat (ook) werknemer voor maximaal acht uur per dag ingeroosterd werd, dat werknemer daarbij de keuze is gelaten welk type ritten hij wilde rijden, dat juist werknemer wekelijks op kantoor om overwerk vroeg, dat (juist) hij in de regel zeer vlot reageerde als er via de boordcomputer overwerk werd aangeboden. Het had op de weg van werknemer gelegen om zijn vordering verder te concretiseren. Dit heeft hij nagelaten. Nu derhalve niet is gebleken dat de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van werknemer vergden dat hij overuren maakte, stuit zijn vordering reeds hierop af.