Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 september 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:8509
Feiten
Werknemer was van 9 januari 2019 tot 1 mei 2022 werkzaam bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werknemer eiste bij dagvaarding onder meer (i) € 2.716,96 netto te storten in het Tijdspaarfonds, (ii) de betaling van zijn salaris over de maand april 2022 van € 3.297,54 bruto en (iii) de betaling van de wettelijke verhoging over de genoemde bedragen van respectievelijk € 1.358,48 netto en € 1.648,77 bruto. Na de dagvaarding heeft werkgever de stortingen in het Tijdspaarfonds verricht en het salaris over de maand april 2022 alsnog betaald. Hij heeft aangevoerd dat hij deze bedragen niet eerder kon betalen. Werknemer heeft vervolgens bij repliek zijn eerste twee vorderingen ingetrokken, maar de derde gehandhaafd.
Oordeel
Er is geen discussie over dat werkgever het salaris over de maand april 2022 van € 3.297,54 te laat heeft betaald. Op grond van de wet moet hij daarom de wettelijke verhoging betalen. De kantonrechter heeft echter de bevoegdheid om deze verhoging te matigen. In dat kader is van belang dat werkgever heeft aangevoerd dat hij het loon niet eerder kon betalen. Werknemer heeft bij repliek niet betwist dat betalingsonmacht de reden is van de te late betaling. Met het oog hierop matigt de kantonrechter de wettelijke verhoging over het salaris van de maand april 2022 tot 20%, dat wil zeggen tot € 659,51 bruto. Er is ook geen discussie over dat werkgever de afdrachten aan het Tijdspaarfonds over de maanden januari tot en met april 2022 te laat betaald heeft. De wettelijke verhoging over de afdracht van april 2022 van € 674,25 wordt afgewezen, aangezien die afdracht is inbegrepen bij het brutoloon van april 2022, zodat de wettelijke verhoging daarover al is toegewezen. De wettelijke verhoging over de afdrachten van januari tot en met maart 2022 van in totaal € 2.042,71 wordt toegewezen, maar ook gematigd tot 20%, dus tot een bedrag van € 408,54 netto.