Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 november 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13674
Feiten
Brandwacht Huren B.V. (hierna: BWH) richt zich als onderneming op het exploiteren, uitvoeren en leveren van particuliere brandwachten bij evenementen en in de industrie, bouw en infra, en de zorg. Een aantal zelfstandigen heeft voor BWH gewerkt als zzp'ers. Een van deze zelfstandigen heeft dat vanaf 19 juli 2016 gedaan als brandwacht, projectmanager en verkoper vanuit zijn eenmanszaak ‘Veiligheidsbureau’. Per 1 juni 2020 is deze zelfstandige (hierna: werknemer) bij BWH in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van salesmanager. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. Ook is een boetebeding overeengekomen. Op 20 oktober 2020 hebben BWH en deze werknemer overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2020. Partijen zijn overeengekomen dat het non-concurrentiebeding zal komen te vervallen. Werknemer blijft wel gebonden aan de geheimhoudingsplicht, het relatiebeding (voor een periode van 1 jaar) en het boetebeding. Op 20 november 2020 is bedrijf X opgericht. Na de oprichting zijn meerdere opdrachtgevers van BWH overgestapt naar bedrijf X en zijn diverse brandwachten gaan werken voor bedrijf X. Bij brief van 8 december 2020 heeft BWH de werknemer gewezen op het relatie- en boetebeding. Op 24 december 2020 heeft BWH aan werknemer meegedeeld dat hij het relatiebeding heeft overtreden en een boete van € 20.000 moet betalen uiterlijk op 4 januari 2021. Werknemer heeft per e-mailbericht van 5 januari 2021 aan BWH meegedeeld dat geen sprake is van overtreding van het relatiebeding. In de periode hierna is werknemer meerdere keren gesommeerd om allerlei bescheiden aan BWH te verstrekken. BWH vordert onder meer werknemer te verbieden in strijd te handelen met postcontractuele verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en alle correspondentie en informatie met diverse klanten over te leggen, zoals facturen. Volgens BWH hebben bedrijf X en haar vennoten, die voorheen als zzp’ers werkzaam waren voor BWH, onrechtmatig gehandeld door te profiteren van de handelswijze van werknemer. BWH wil door middel van de op te leggen verboden, verzwaard met dwangsommen, aan deze praktijken een halt toe roepen. Zowel werknemer als de andere zzp’ers betwisten de vordering en concluderen tot afwijzing daarvan.
Oordeel
De vordering ziet op twee zaken, enerzijds op de gestelde wanprestatie door werknemer wegens het niet nakomen van het relatiebeding en op de onrechtmatige daad door bedrijf X en zijn vennoten die door de wanprestatie ongeoorloofd voordeel zouden hebben genoten en anderzijds op de verkrijging van bescheiden ter onderbouwing van het gestelde. Het relatiebeding verliest op 1 december 2021 haar werking. Daarom wordt geen aanleiding gezien om ordemaatregelen te treffen tegenover werknemer en/of bedrijf X en zijn vennoten. In kort geding ziet de kantonrechter geen ruimte voor bewijslevering van het gevorderde. Het beroep op het relatiebeding slaagt niet. Niet kan worden uitgesloten dat het relatiebeding standhoudt in een bodemprocedure, gelet op de duur van het beding in verhouding tot de uiteindelijke duur van de arbeidsovereenkomsten en gelet op de onduidelijkheden ten aanzien van de vraag wie als relaties van BWH hebben te gelden,. Ook kan niet zonder meer worden aangenomen dat werknemer aan het relatiebeding gehouden kan worden voor zover dit beding ziet op relaties van BWH van voor haar oprichting op 4 februari 2020. De vorderingen op de voet van artikel 843a Rv tot verstrekking van allerlei onder werknemer en bedrijf X en haar vennoten berustende bescheiden worden afgewezen, omdat het moet gaan om bescheiden die bij BWH in beginsel bekend zijn, maar die zij niet in haar bezit heeft. Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van allerlei bescheiden waarvan een partij indicaties heeft dat de wederpartij daarover beschikt en waarvan hij vermoedt dat die wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. BWH heeft onvoldoende gepreciseerd om welke bescheiden het gaat. Werknemer en de zzp’ers worden gevolgd in hun standpunt dat het hier gaat om een ‘fishing expedition’ en dat grote inbreuk op hun privacy dreigt. Daarom worden de hiermee verband houdende vorderingen afgewezen. De kantonrechter wijst het gevorderde in kort geding af en veroordeelt BWH in de proceskosten.