Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 9 december 2022
ECLI:NL:RBLIM:2022:9884
Feiten
Werknemer is op 1 november 2019 een arbeidsovereenkomst aangegaan met werkgeefster in de functie van machinist. Op 7 april 2020 heeft werknemer zich ziek gemeld en is sindsdien onafgebroken arbeidsongeschikt. Op 16 april 2022 is werknemer door het UWV in kennis gesteld van de mogelijkheid van het aanvragen van een WIA-uitkering. Werknemer heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Het UWV heeft beoordeeld of werkgeefster alle re-integratieverplichtingen is nagekomen. Bij besluit van 16 april 2022 heeft het UWV aan werkgeefster meegedeeld dat zij het loon moet doorbetalen tot 4 april 2023. De aanvullingen zijn niet ontvangen en daarvoor is geen geldige reden opgegeven. Daarmee voldoet werkgeefster niet aan haar re-integratieverplichtingen en wordt de aanvraag voor een WIA-uitkering niet in behandeling genomen. Werkgeefster heeft het salaris uit hoofde van de loonsanctie niet voldaan. Werknemer vordert onder meer werkgeefster te veroordelen tot betaling van het loon over de periode 7 april 2022 tot en met 31 oktober 2022 en tot het betalen van de vakantiebijslag over de periode van 7 april 2022 tot aan het moment van dagvaarden ten bedrage van acht procent over het brutoloon.
Oordeel
Werkgeefster verkeerde in de veronderstelling dat zij met het inbrengen van een in het begin van de ziekte in haar opdracht opgesteld rapport had voldaan aan haar re-integratie-inspanningen. Het UWV heeft haar niet erover geïnformeerd dat dit rapport niet voldoende was c.q. welke informatie dan wel werd verlangd om haar tekortkoming te herstellen. De kantonrechter gaat uit van de geldigheid van het besluit van het UWV. Werknemer vordert het volledige salaris. Uit de betalingsoverzichten blijkt dat ook daadwerkelijk honderd procent is uitbetaald na ziekmelding van werknemer en werkgeefster heeft niet betwist dat recht bestaat op honderd procent loondoorbetaling. De vordering van werknemer om werkgeefster te veroordelen tot het betalen van het achterstallige loon over de periode van 7 april 2022 tot en met 31 oktober 2022, door werknemer berekend op € 7.274,17 netto, alsmede over de periode van 1 november 2022 tot aan het moment waarop de loonsanctie eindigt, ligt hiermee voor toewijzing gereed. De vordering tot betaling van achterstallige vakantietoeslag ter hoogte van acht procent over het brutoloon ligt gereed over de periode van 7 april 2022 tot 1 juni 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook vanaf 1 juni 2022 tot aan het moment waarop de loonsanctie eindigt, zal werkgeefster vakantiebijslag moeten betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.