Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 november 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:10941
Feiten
Werknemer is sinds 1 januari 2019 bij PME in dienst. PME verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat er tussen partijen een onoverbrugbaar verschil van mening is ontstaan over de wijze waarop werknemer zijn taken moet verrichten, welk verschil van mening heeft geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat uit de stellingen van PME volgt dat sprake is van een verstoring in de arbeidsverhouding tussen partijen. Werknemer heeft dit ook erkend. De verstoring van de arbeidsverhouding is zodanig, dat van PME in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt niet in de rede. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2023. PME heeft een beëindigingsvergoeding van € 156.304,04 bruto aan werknemer toegezegd. Werknemer acht deze vergoeding redelijk. Die vergoeding zal de kantonrechter dan ook toekennen.