Rechtspraak
Feiten
Werknemer is per 1 september 2019 in dienst getreden bij werkgever in de functie van chauffeur/bezorger. Op 20 november 2022 is werknemer op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Werknemer was in de ogen van werkgever niet bereid de bedrijfsbus bij werkgever af te leveren. Werknemer heeft geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. Hij heeft sindsdien niets meer van werkgever vernomen. Werknemer verzoekt ten laste van werkgever een billijke vergoeding toe te kennen van € 9.812,88, de transitievergoeding van € 2.725,80 bruto en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 3.270,96 bruto. Ook verzoekt hij uitbetaling van achterstallig salaris (ruim € 3.500 bruto). Werkgever heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft gemotiveerd weersproken dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Werknemer heeft aangevoerd dat uit de overgelegde appcorrespondentie niet kan worden opgemaakt dat hij niet bereid is geweest de bus eventueel af te leveren; werknemer heeft slechts gevraagd waarom werkgever de bus niet zelf kwam ophalen. Ook indien werknemer het verzoek had geweigerd, dan is alsnog geen sprake van werkweigering omdat het geen redelijke instructies van de werkgever betrof. Tot slot heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, is niet gebleken dat de werkgever de belangen van de werknemer heeft afgewogen en had het op de weg van de werkgever gelegen om voor een minder zware maatregel te kiezen, aldus werknemer. Werkgever heeft geen verweer gevoerd. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter als niet weersproken vast dat werkgever geen goede reden had voor het ontslag. Het verzoek van werknemer om toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook toegewezen. De verzochte billijke vergoeding van € 9.812,88 bruto komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze wordt toegewezen. Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. De verzoeken tot veroordeling van werkgever tot betaling van achterstallig salaris zijn niet weersproken en komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat ook deze worden toegewezen.