Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 11 april 2023
ECLI:NL:RBNHO:2023:3545
Feiten
Werknemer is op 25 juli 2019 bij Leffelaar Transport B.V. (hierna: Leffelaar) in dienst getreden in de functie van chauffeur. De cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) is van toepassing op de arbeidsovereenkomst . Werknemer is op 24 oktober 2022 arbeidsongeschikt geraakt. Op 18 december 2022 heeft werknemer van Leffelaar het plan van aanpak ontvangen, waarin staat dat werknemer net voor zijn ziekmelding zijn ontslag heeft ingediend. De gemachtigde van werknemer heeft bij brief van 28 december 2022 betwist dat hij het dienstverband heeft opgezegd. Leffelaar heeft werknemer per 1 januari 2023 ziek uit dienst gemeld bij het UWV. Op 8 december 2021 heeft werknemer een bericht aan zijn ex-collega’ sgestuurd, waarin hij Leffelaar onder meer beschuldigt van liegen. Werknemer vordert veroordeling van Leffelaar tot nakoming van de arbeidsovereenkomst met betaling van achterstallig loon. Leffelaar vordert werknemer te verbieden zich negatief uit te laten over Leffelaar, op straffe van een dwangsom.
Oordeel
De vraag die moet worden beantwoord is of werknemer de arbeidsovereenkomst op 13 oktober 2022 zelf heeft opgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat Leffelaar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd. De brief waarnaar Leffelaar in dit kader heeft verwezen, kan buiten beschouwing blijven vanwege het feit dat in de brief een handtekening is opgenomen, waarvan werknemer betwist dat het zijn handtekening is. Een onderhandse akte (in dit geval de ontslagbrief) waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren (in dit geval werknemer), stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. De kortgedingprocedure biedt echter geen ruimte voor bewijslevering, zodat de brief niet kan dienen als onderbouwing van het betoog van Leffelaar. Verder heeft Leffelaar verwezen naar overgelegde getuigenverklaringen, maar werknemer heeft die verklaringen gemotiveerd betwist – hij was de betreffende dag niet op kantoor. Bovendien zijn de getuigenverklaringen niet onder ede afgelegd en is in geen van de verklaringen vermeld per wanneer werknemer ontslag zou hebben genomen. Op grond van het voorgaande gaat de kantonrechter ervan uit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat. Het verweer van Leffelaar dat zij geen loon verschuldigd is omdat werknemer zich niet beschikbaar heeft gesteld voor zijn werkzaamheden, wordt verworpen. Partijen zijn het verder niet eens over de hoogte van het aan werknemer toekomende loon vanaf 1 januari 2023. Werknemer stelt dat hij moet worden betaald conform de schaal die geldt vanaf 1 januari 2023. Leffelaar betwist dat en vindt dat werknemer per 1 januari 2023 recht heeft op beloning overeenkomstig een lagere schaal. De kantonrechter gaat uit van de lagere schaal (hetgeen € 2.727,67 bedraagt), nu dit is opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Voor zover dit loon te laat is betaald, moet dit worden vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook komt aan werknemer een eenmalige uitkering op grond van de cao toe. Leffelaar wordt verder veroordeeld tot nakoming van haar re-integratieverplichtingen. Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat werknemer geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot betaling van achterstallig loon over de periode juli 2019 tot december 2022. Werknemer heeft weliswaar aangevoerd dat hij er pas sinds de inschakeling van zijn gemachtigde van op de hoogte is dat hij gedurende deze periode een te laag loon heeft ontvangen, maar dat is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen voor deze vordering. De tegenvordering van Leffelaar wordt eveneens afgewezen, nu zij heeft nagelaten de vordering toe te lichten.