Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23 mei 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:931
Feiten
Werknemer is schriftelijke overeenkomsten aangegaan met achtereenvolgens Weflo, Vitro Warszawa en Vitro. Bij al deze overeenkomsten is de heer X betrokken geweest in zijn hoedanigheid van statutair bestuurder van de betreffende vennootschappen. Werknemer is sinds 15 oktober 1990 bij Weflo in dienst. Op 1 januari 1996 zijn werknemer en Weflo een aanvullende overeenkomst aangegaan. Vitro Warszawa en werknemer zijn vanaf 1998 meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd overeengekomen. Vitro en werknemer hebben op 1 januari 2004 een overeenkomst getekend. Vitro heeft aan werknemer maandelijks ten titel van salaris betalingen gedaan en loonstroken verstrekt. Bij brief van 23 augustus 2017 heeft werknemer aan Vitro geschreven dat zijn salaris onrechtmatig is verlaagd. Werknemer heeft de overeenkomst met Vitro per 1 september 2017 opgezegd. Werknemer heeft gevorderd Vitro te veroordelen tot betaling, onder aftrek van een reeds betaald bedrag van € 4.800 netto: achterstallig salaris over de periode van 1 februari 2013 tot en met augustus 2017, de onbetaald gebleven vakantietoeslag over die periode en een vergoeding voor 67 opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen met vakantietoeslag daarover, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Vitro in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft de loonvordering toegewezen. Vitro is in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Arbeidsovereenkomst
Partijen nemen uiteenlopende standpunten in over de vraag of tussen hen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Voorop staat dat de overgelegde schriftelijke stukken melding maken van een arbeidsovereenkomst tussen eerst Weflo en werknemer en vervolgens per 1 januari 2004 tussen Vitro en werknemer. Uit de door Weflo gedane pensioentoezegging die door Vitro is overgenomen volgt dat werknemer aanvankelijk bij Weflo in dienst is geweest en vervolgens bij Vitro. In de overeenkomst van 1 januari 2004 tussen Vitro en werknemer wordt expliciet melding gemaakt van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het hof stelt vast dat werknemer werkzaamheden heeft verricht tegen betaling van loon. Dat werknemer zijn werkzaamheden in Polen heeft verricht, maakt niet uit. Werknemer heeft immers aan zijn verplichtingen jegens Vitro voldaan. Ten aanzien van de gezagsverhouding oordeelt het hof als volgt. Inherent aan het verrichten van werkzaamheden in het buitenland is, zeker in een situatie waarin ook een buitenlandse werkgever is betrokken, dat er voor Vitro mogelijk minder zicht bestaat op de dagelijkse werkzaamheden van werknemer. Ook mag worden aangenomen dat werknemer zijn functie als directeur/ bedrijfsleider met een zekere mate van zelfstandigheid uitoefende. Dat neemt niet weg dat de heer X zowel van Vitro als Vitro Warszawa (indirect) bestuurder en aandeelhouder was en daar waar nodig instructies aan werknemer verstrekte. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat tussen Vitro en werknemer een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.
Rechtsverwerking en verjaring
Vitro heeft een beroep gedaan op rechtsverwerking. Het hof stelt voorop dat in de brief van 23 augustus 2017 niet wordt geklaagd over achterwege gelaten cao-verhogingen. De eerste brief die daarop betrekking heeft en waar de aanspraak uit hoofde van de cao uit blijkt, is de brief van 27 februari 2018. Niet vereist is dat uit die brief ook de grondslag van de loonvordering blijkt. Vitro heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan - anders door het enkele tijdverloop - zij er gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat werknemer zijn rechten uit hoofde van de toepasselijke cao niet meer geldend zou maken. De enkele omstandigheid dat in eerdere correspondentie daarom niet is verzocht, is daartoe onvoldoende. De kantonrechter heeft het leerstuk van verjaring niet verkeerd toegepast. Het hof stelt voorop dat de verjaring van een vordering inhoudt dat de vordering niet meer in rechte afgedwongen kan worden, niet dat de vordering niet meer bestaat. Door verjaring gaat slechts een vorderingsrecht teniet, maar de gronden waarop deze vordering steunde, houden hun gelding. De vordering ‘verdwijnt’ dus niet. Die verhogingen zijn ook verschuldigd om een andere reden. De vraag welk loon verschuldigd is na afloop van een verjaringstermijn is in feite een vraag van uitleg van het aan een werknemer verschuldigde loon, in dit geval: welk loon komt werknemer toe op grond van de toepasselijke cao? De hoogte van het vanaf 1 februari 2013 door Vitro verschuldigde loon omvat dus mede de vanaf 2004 verschuldigde cao-loonsverhogingen. Dat betekent dat werknemer zijn vordering juist heeft berekend.