Naar boven ↑

Rechtspraak

Centrum voor Prothese en Implantologie Rozenburg B.V./werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 5 juni 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:4906
Toewijzing vordering loonbetaling en pensioenpremie tijdens ziekte. Deskundigenoordeel UWV in redelijkheid niet vereist.

Feiten

Werkneemster is sinds 12 oktober 2021 in dienst van werkgever en heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 11 oktober 2022 is werkneemster uitgevallen door ziekte voor haar werkzaamheden als senior tandartsassistente/praktijkmedewerker. Werkgever heeft na een aantal maanden een bedrijfsarts ingeschakeld. Dit heeft geleid tot een telefonisch consult met werkneemster op 17 maart 2023. In de door de bedrijfsarts opgestelde probleemanalyse staat onder meer dat sprake is van arbeidsongeschiktheid door ziekte in combinatie met een verstoorde arbeidsverhouding. Op 20 maart 2023 heeft werkgever werkneemster opgeroepen om weer aan het werk te gaan in (volgens werkgever) passende arbeid. Een dag later heeft werkgever aan werkneemster meegedeeld dat zij niet op het werk verschenen is, dat sprake is van werkweigering en dat daarom geen loon verschuldigd is. Werkneemster vordert onder meer de betaling van haar loon en pensioenpremie.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter doen zich omstandigheden voor op grond waarvan het overleggen van een deskundigenoordeel in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van werkneemster kan worden verlangd. Dat werkneemster in oktober 2022 uitgevallen is wegens ziekte en nog steeds ziek is, is niet gemotiveerd betwist. Er is maandenlang gewacht met het inschakelen van een bedrijfsarts na de ziekmelding van werkneemster, ondanks verzoeken daartoe van werkneemster. Uit de probleemanalyse van 17 maart blijkt duidelijk dat de bedrijfsarts van oordeel is dat werkneemster op dat moment niet met werk te belasten is, noch in haar eigen werk noch in aangepast werk, vanwege een combinatie van medische problemen en een arbeidsconflict. Uitgangspunt is dat de partij die het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts een deskundigenoordeel vraagt. Dit heeft werkgever niet gedaan. Werkgever roept werkneemster direct na ontvangst van de probleemanalyse op om te komen werken en zet met terugwerkende kracht per 1 maart 2023 het loon stop, terwijl klaarblijkelijk geen sprake is van werkweigering of van een situatie als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW waarin een loonstop gerechtvaardigd is. In de brief waarin de loonstop wordt aangekondigd wordt ook direct vermeld dat er een ontbindingsverzoek zal worden ingediend. Dat ontbindingsverzoek is kort daarna ook ingediend. Het ontbindingsverzoek is op de valreep weer ingetrokken, omdat de praktijk per 1 mei verkocht zou zijn. Werkneemster heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat dit bericht haar niet tijdig heeft bereikt en dat evenmin contact is opgenomen door werkgever, diens advocaat of door de nieuwe eigenaar over de gestelde verkoop van de praktijk, die kennelijk ruim vier weken eerder heeft plaatsgevonden. Gelet op voorgaande gang van zaken en de inmiddels ernstig verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, waarbij het geschil zich zodanig heeft verdiept dat inschakeling van de rechter klaarblijkelijk onvermijdelijk was geworden, kan het overleggen van een deskundigenoordeel in dit geval in redelijkheid niet van werkneemster worden gevergd. Werkneemster heeft in de gegeven bijzondere omstandigheden dus terecht een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW. Niet betwist is dat werkgever vanaf 1 maart 2023 geen loon betaald heeft aan werkneemster en ook de maandelijks te betalen pensioenpremie niet heeft afgedragen. De hoogte van de hiermee gemoeide bedragen is ook niet in geschil. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon en de pensioenpremie.