Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 juni 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:3631
Feiten
Tradin is een onderneming die zich richt op activiteiten op het gebied van gecertificeerde biologische (hierna ook wel: ‘organic’) en niet-biologische (hierna ook wel: ‘conventionele’) ingrediënten voor de voedselindustrie. Tradin is onderdeel van Acomo N.V. (hierna ook wel: Acomo-groep). Werknemer was enig aandeelhouder van BV 1 en uit dien hoofde middellijk aandeelhouder van BV 2. Deze laatste vennootschap beschikte over een licentie van de Stichting Keur Alternatief voortgebrachte Landbouwproducten (hierna: SKAL) voor de handel in organic producten. Met ingang van 1 april 2019 heeft The Organic Corporation B.V., zijnde een onderdeel van de Acomo-groep, alle aandelen in BV2 verkregen. In de Share Purchase Agreement (SPA) tussen The Organic Corporation B.V. en BV1 is een verkoopprijs voor alle aandelen afgesproken en is afgesproken dat werknemer zijn activiteiten als werknemer en als statutair bestuurder van BV2 voor ten minste drie jaar nadien zal voortzetten. Met ingang van 1 april 2019 is werknemer onder een ‘consultant agreement’ Global Oil Desk voor Tradin gaan werken. Met ingang van 1 januari 2022 is werknemer bij Global Oils in dienst getreden bij Tradin op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De overeenkomst bevat o.a. een geheimhoudingsbeding en een non-concurrentie- en relatiebeding. Op 4 augustus 2022 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst opgezegd per 30 september 2022. Met ingang van 18 augustus 2022 is werknemer vrijgesteld van werkzaamheden. Met ingang van 31 januari 2023 is werknemer gaan werken voor Cefetra Premium Oils B.V. Voornoemd bedrijf is per 31 januari 2023 eigendom van Tracomex B.V., onderdeel van de Cefetra Group. Cefetra is een directe concurrent van Tradin. In of rond augustus 2022 zou werknemer contact gezocht hebben met Royal Canin, een van de grotere klanten van Tradin, teneinde deze klant te voorzien van conventionele olieproducten. Op 20 maart 2023 heeft Omegaflora producten geleverd aan Bee-Health, een voormalige klant van Tradin. Tradin vordert nakoming van de verplichting voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Werknemer stelt dat het concurrentie- en relatiebeding anderszins nietig zijn omdat sprake is van (indirecte) strijd met artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet (Mw). Doordat in de SPA (zie 1.3.) al een concurrentie/cliëntbeding was opgenomen net als in de arbeidsovereenkomst die bijna drie jaar later is aangegaan, is sprake van overschrijding van – ten tijde hier van belang – de termijn van drie jaar als bedoeld in de Mededeling van de Europese Commissie (2005/C 56/03). Uit de Inleiding en de paragraaf III van deze Mededeling blijkt genoegzaam dat de Commissie het oog heeft gehad op ongewenste effecten van concentratie van ondernemingen. Nergens blijkt van de bedoeling van deze beperking tot drie jaar, waarbij heeft te gelden dat ook wel langere periodes gerechtvaardigd kunnen zijn eveneens van toepassing is op arbeidsrechtelijke verhouding van bij die concentratie betrokken werknemers. Met betrekking tot de vraag of het concurrentie- en relatiebeding uitsluitend betrekking heeft op activiteiten en producten van biologische oorsprong (standpunt werknemer) dan wel tevens op die van conventionele aard (standpunt Tradin) overweegt de kantonrechter als volgt. Partijen twisten met name over de uitleg van artikel 12 lid 2 van de arbeidsovereenkomst en dan met name over de betekenis van ‘activities in a similar field to or otherwise competing are in any way to be considered: the production and/or import (…) of organic raw materials or consultancy thereabout’. In het geval het werknemer inderdaad verboden zou zijn werkzaamheden te verrichten op het gebied van zowel biologische als conventionele (olie)producten zou dat neerkomen op een algeheel beroepsverbod (voor de duur van één jaar), een te grove beperking van zijn mogelijkheden, gelet op zijn jarenlange eenzijdige werkervaring. Het betreft dan een onredelijke benadeling van werknemer als werknemer nu dit tot een onevenredige inbreuk op de vrije keuze van arbeid leidt. In het geval het concurrentie- en relatiebeding inderdaad slechts zou zien op ‘biologische’ producten zoals werknemer stelt, dan moet worden geoordeeld dat Tradin niet gesteld heeft dat werknemer actief was en is op uitsluitend dat gebied. Integendeel, werknemer wordt verweten juist op het gebied van conventionele producten op de markt actief te zijn geweest. In beide gevallen zou het dus niet kunnen leiden tot een verbod zoals Tradin vordert. De vorderingen worden afgewezen.