Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 18 juli 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:6122
Feiten
Werknemer is bij Elburg Foods B.V. (hierna: Elburg Foods) in dienst (geweest). Hij is in 2021 ziek geworden waarna een re-integratietraject is ingezet. Elburg Foods heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft het verzoek van Elburg Foods afgewezen. Elburg Foods is het daarmee niet eens. Het doel van het hoger beroep is dat het hof een datum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Werknemer heeft verweer gevoerd en voor het geval het verzoek wordt toegewezen om vergoedingen en uitbetaling van vakantiedagen verzocht. Na de beschikking van de kantonrechter heeft Elburg Foods werknemer op staande voet ontslagen. Daarom heeft Elburg Foods haar verzoek gewijzigd in een voorwaardelijk verzoek.
Oordeel
Het hof oordeelt dat het niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Voordat aan de behandeling van het verzoek kan worden toegekomen stelt het hof vast dat deze zaak internationale aspecten heeft, omdat werknemer in Duitsland woont. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van Elburg Foods, moet beoordeeld worden aan de hand van Verordening Brussel I-bis. Artikel 22 lid 1 Verordening Brussel I-bis houdt in dat de vordering van de werkgever slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Omdat werknemer ten tijde van het inleidende verzoek in een andere lidstaat dan Nederland woonde, te weten in Duitsland, is in beginsel alleen de Duitse rechter bevoegd. Op grond van artikel 26 Verordening Brussel I-bis is ook het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Lid 2 van dit artikel bepaalt echter dat als de werknemer verweerder is, het gerecht waar deze is verschenen zich, alvorens de bevoegdheid op grond van lid 1 te aanvaarden, ervan vergewist dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen (de zogeheten “vergewisplicht”). Het hof heeft ter voldoening aan de vergewisplicht aan het begin van de mondelinge behandeling genoemde verdragsbepalingen aan partijen voorgehouden. Hierop is de behandeling geschorst om de advocaat en werknemer de gelegenheid te geven te overleggen. Na de schorsing heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat hij de bevoegdheid van het hof betwist. Dat betekent dat het hof niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Het hof zal zich onbevoegd verklaren en de beschikking van de kantonrechter vernietigen, omdat ook de kantonrechter niet bevoegd was om van het verzoek kennis te nemen.