Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 juni 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:4048
Feiten
Werkneemster is sinds 1 mei 1999 als rondleidster in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Stichting Amsterdam Museum (hierna: de Stichting). In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat het salaris wordt betaald ‘per incidentele rondleiding c.q. beleid programma van ongeveer 1 uur’. Per 2013 is de urenomvang 7 uur gemiddeld per maand en 84 uur gemiddeld op jaarbasis. In 2015 poogt de Stichting de arbeidsovereenkomsten met haar rondleiders te beëindigen vanwege economische motieven, eerst via toestemming van het UWV en later via ontbinding bij de rechter. Ten aanzien van werkneemster is dit niet gelukt. Werkneemster verzoekt de Stichting bij e-mail in 2016 en 2021 haar uren uit te breiden naar minimaal 30 uren per maand. Beide verzoeken wijst de Stichting af. Op 16 december 2022 verzoekt werkneemster wederom een urenuitbreiding (36 uren per maand) met ingang van 1 januari 2023, wat door de Stichting in februari 2023 wordt afgewezen. De Stichting betaalt werkneemster verder jaarlijks 84 uren uit, terwijl werkneemster in de periode 2018-2022 ieder jaar veel minder uren heeft gewerkt. Werkneemster vordert salaris voor 36 uur per maand vanaf februari 2023 en uitbreiding van haar urenomvang naar 36 uur per maand op grond van de Wet flexibel werken (Wfw). Werkneemster stelt hiertoe dat de Stichting niet tijdig heeft beslist op haar Wfw-verzoek tot urenuitbreiding en bovendien dat er geen zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang aanwezig is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Volgens de Wfw moet een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur twee maanden voor de beoogde en in het verzoek genoemde ingangsdatum worden ingediend. Vaststaat dat werkneemster in haar Wfw-verzoek d.d. 16 december 2022 als ingangsdatum 1 januari 2023 heeft vermeld. Zoals de Stichting terecht aanvoert, voldoet het verzoek daardoor niet aan de vereisten uit de Wfw. Uit het feit dat werkneemster voorafgaand aan haar verzoek heeft gezegd dat het wat haar betreft ook per 17 februari 2023 mocht ingaan, heeft de Stichting niet hoeven afleiden dat deze datum de uiterlijke ingangsdatum was zodat het verzoek wel aan de vereisten voldoet. Voorshands wordt daarom geoordeeld dat het verzoek niet aan de formele Wfw-vereisten voldoet. Hoewel aan voorgaande geen specifieke sanctie is verbonden en de Stichting een herstelmogelijkheid had kunnen en misschien wel moeten bieden, is de vraag of onder deze omstandigheden de termijn waarbinnen Stichting had moeten reageren was verstreken toen zij uiteindelijk reageerde. Nu het verzoek van werkneemster twee weken voor de beoogde ingangsdatum is ingediend, heeft de Stichting geen maand de tijd gehad om te reageren. Toen werkneemster vervolgens een reactietermijn stelde (9 februari 2023), heeft de Stichting binnen die termijn gereageerd. Er kan daarom niet worden geconcludeerd dat niet tijdig op het verzoek is beslist als gevolg waarvan de uren van rechtswege zouden zijn aangepast. Tot slot overweegt de kantonrechter dat nu vaststaat dat de meeste rondleidingen een uur duren, veel rondleidingen tegelijkertijd worden ingepland, het aantal rondleidingen de afgelopen jaren sterk is teruggelopen en werkneemster in feite veel minder werkt dan dat zij wordt uitbetaald, is op voorhand eveneens aannemelijk dat de verzochte urenuitbreiding van meer dan vijfmaal de huidige urenomvang tot onacceptabel hoge kosten zal leiden. De vorderingen worden afgewezen.