Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 juli 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:4335
Feiten
Werknemer is werkzaam geweest bij RFH. Aan dat dienstverband is op 29 augustus 2022 een einde gekomen als gevolg van een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te Den Haag. Werknemer heeft RFH nadien in kort geding gedagvaard. RFH heeft in reconventie gevorderd dat werknemer veroordeeld zal worden tot het inleveren van alle bedrijfseigendommen. De kantonrechter heeft de vordering (gedeeltelijk) toegewezen. Werknemer heeft op 13 mei 2023 een pakket aan RFH gezonden, dat door RFH is ontvangen. Verder is per koerier een laptop gestuurd, die op 23 mei 2023 door RFH in ontvangst is genomen. RFH heeft op 5 juni 2023 bij exploot bevel gedaan tot betaling van de verbeurde dwangsommen van € 2.500. Vervolgens heeft RFH beslag laten leggen. Het beslag heeft geen doel getroffen. Werknemer vordert RFH te verbieden verdere invorderingsmaatregelen te treffen. RFH vordert werknemer te veroordelen zich te onthouden van het starten van nieuwe gerechtelijke procedures tegen RFH.
Oordeel
In conventie
Het gaat in deze procedure om de vraag of werknemer aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat werknemer niet volledig aan de veroordeling heeft voldaan. In het dictum van het vonnis van 8 mei 2023 is vermeld dat werknemer de bedrijfskleding moet afgeven. RFH heeft voldoende onderbouwd dat werknemer enkel twee (afritsbare) mouwen van de bedrijfsjas heeft opgestuurd. RFH wenst uit veiligheidsoverwegingen de bedrijfsjas terug. Kwaadwillende derden zouden zich hiermee op het terrein van RFH kunnen “camoufleren”. Werknemer had dan ook moeten begrijpen dat het doel van de veroordeling was dat dat de gehele jas zou worden teruggestuurd. De kantonrechter is dan ook voorshands van oordeel dat de dwangsommen zijn verbeurd. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de dwangsom te matigen, nu werknemer wel aan een groot gedeelte van de veroordeling heeft voldaan. De kantonrechter matigt de dwangsom tot € 1.000.
In reconventie
Voor toewijzing van deze vorderingen is vereist dat werknemer misbruikt maakt van het procesrecht of onrechtmatig handelt. Hoewel werknemer inmiddels vijf procedures is gestart tegen RFH, kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat deze evident ongegrond waren. De onderhavige procedure voldoet niet aan het criterium dat deze evident ongegrond is. De kantonrechter ziet geen grond om de zeer verstrekkende vordering tot het opleggen van een procedeerverbod toe te wijzen.