Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgever/Werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 september 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:5948
Vordering tot opheffing van het schorsingsbesluit en het verbod tot openbaarmaking van een rapportage worden afgewezen.

Feiten

Werknemers 1 en 2 hebben werkgever opgezet en deels gefinancierd. In december 2022 hebben werknemers 1 en 2 van oud-medewerkers begrepen dat dagblad Het Parool bezig was met een artikel over grensoverschrijdend gedrag van werknemer 1. Op 4 maart 2023 is het bewuste artikel in Het Parool verschenen. Op 8 maart 2023 heeft de RvT aan werknemers 1 en 2 laten weten dat er geen draagvlak was voor hun terugkeer. In een gesprek op 13 maart 2023 met de RvT hebben werknemers 1 en 2 laten weten dat zij terug wilden keren zodra de eerste emotie zou zijn gezakt en zij hebben de RvT gevraagd om daarbij te helpen. De RvT heeft laten weten dat dat geen optie was. Op 29 maart 2023 heeft werknemer 1 een beperkte volmacht verleend aan X om als interim-directeur de Stichting te vertegenwoordigen. De RvT heeft Berenschot verzocht om een onderzoek in te stellen. Op 31 mei 2023 heeft werknemer 2 een gesprek gehad met X . Hij heeft haar meegedeeld dat haar functie zou komen te vervallen. Op 6 juni 2023 heeft werknemer 1 de volmacht aan X ingetrokken. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de RvT werknemer 1 geschorst. Op 4 augustus 2023 heeft Berenschot de rapportage van het cultuuronderzoek afgerond, dat op 5 augustus 2023 met werknemers 1 en 2 is gedeeld. Werknemers 1 en 2 vorderen opheffing van de schorsing voor werknemer 1 met wedertewerkstelling en een verbod op openbaarmaking van de Berenschot-rapportage.

Oordeel

Werknemers 1 en 2 hebben weergegeven wat er het afgelopen half jaar is gebeurd en wat er volgens hen niet juist is gedaan door Het Parool, Berenschot en de RvT. Daar valt inderdaad wel het een en ander op aan te merken. Zo is er ongevraagd en zonder de directie daarover te horen een rapport geschreven, heeft Berenschot pas in een laat stadium contact gezocht met werknemers 1 en 2 voor wederhoor, en zijn de reacties van werknemers 1 en 2 niet aan het rapport gehecht. Anderzijds staat vast dat een groot aantal medewerkers, met name de programmamakers, zich hebben uitgesproken over incidenten met werknemer 1. Zij hebben verteld dat hij regelmatig boos wordt als hij ergens ontevreden over is (en dat dat nogal eens kon voorkomen gezien zijn micro-managementstijl), dat hij tegen hen heeft geschreeuwd, hen kleinerend heeft toegesproken en dat hij soms in zijn woede tegen meubels heeft aangeschopt en gestompt. Dit heeft hen geraakt, en zij hebben daar last van gehad. De medewerkers hebben zich hierover op verschillende momenten geuit. Gelet op de verschillende momenten dat de medewerkers zich hebben uitgesproken, op het aantal dat zich heeft uitgesproken (80% van de programmamakers) en op de erkenningen van werknemer 1, kan niet zomaar voorbij worden gegaan aan die uitingen, door te stellen dat de rapporten van Berenschot niet volgens de juiste protocollen tot stand zijn gekomen en dat Het Parool werknemer 1 op onjuiste wijze heeft geciteerd.  Werknemers 1 en 2 enerzijds en de RvT anderzijds hebben een hele andere visie over hoe dat probleem in kaart moest worden gebracht en hoe het moet worden aangepakt (of de directie daarbij moet worden betrokken of niet). Dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan is dan ook niet verwonderlijk. Omdat het voor de RvT duidelijk was dat een groot deel van de medewerkers (met name de programmamakers) een probleem had met werknemers 1 en 2, en dat dit probleem al jaren speelde zonder duidelijke verbetering, is het niet onzorgvuldig van de RvT dat hij werknemers 1 en 2 niet heeft betrokken bij de onderzoeksopzet van Berenschot en bij de dagelijkse gang van zaken de afgelopen maanden. Zij moesten juist even afstand nemen en waren niet de juiste personen om het onderzoek en de eventuele gevolgen daarvan voor de organisatie te (bege)leiden. Dit is frustrerend voor werknemers 1 en 2, maar niet onzorgvuldig van de RvT en dus niet onrechtmatig. De vordering tot het opheffen van het schorsingsbesluit wordt afgewezen.  Ten aanzien van het openbaar maken van de Berenschot-rapportage overweegt de kantonrechter dat er de afgelopen maanden veel onduidelijkheid is geweest over het onderzoek en de gevolgen daarvan. Aangezien een groot deel van de medewerkers aan het onderzoek heeft meegewerkt, moeten zij ook de mogelijkheid hebben dit in te zien. Zij moeten de mogelijkheid hebben om te zien tot welke bevindingen en aanbevelingen Berenschot is gekomen, en ook om te zien wat er juist niet in het rapport staat. Voor een verbod om het rapport aan medewerkers ter inzage te geven is dan ook geen aanleiding.