Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/SHM Construction B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 september 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:8908
Toewijzen loonvordering. Mondelinge vaststellingsovereenkomst is niet rechtsgeldig overeengekomen. Rechtsverhouding kwalificeert als arbeidsovereenkomst.

Feiten

Werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst gaan werken voor SHM Construction B.V. (hierna: SHM). SHM heeft zich op het standpunt gesteld dat deze arbeidsovereenkomst is geëindigd en dat werknemer nu als zzp'er bij haar werkt. Werknemer is het daar niet mee eens. Hij eist daarom een verklaring voor recht dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst bij SHM werkt. Hij eist daarnaast vakantiegeld over juni 2021 tot en met mei 2022, met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook eist hij afgifte van loonstroken vanaf juni 2021 en de jaaropgave van 2022. Werknemer stelt verder dat SHM hem heeft afgemeld bij het pensioenfonds. Hij eist daarom dat SHM veroordeeld wordt om de niet betaalde pensioenpremie rechtstreeks aan hem te betalen. Volgens SHM moeten alle eisen worden afgewezen omdat partijen mondeling een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waardoor de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 

Oordeel

De kantonrechter wijst bijna alle eisen van werknemer toe omdat SHM onvoldoende heeft onderbouwd dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Op basis van artikel 7:670b BW kan een vaststellingsovereenkomst alleen schriftelijk worden gesloten. Als het dus al klopt dat werknemer en SHM mondeling overeenstemming hebben bereikt, dan is daardoor de overeenkomst niet geëindigd. Daar komt bij dat werknemer is blijven werken bij SHM en hij ook elke maand € 1.600 op zijn rekening gestort kreeg met de omschrijving ‘salaris’. Volgens SHM werkte werknemer toen als zzp'er voor haar. Volgens werknemer is sinds de mondelinge vaststellingsovereenkomst niets veranderd aan de samenwerking. Zelfs als partijen de arbeidsovereenkomst zouden hebben beëindigd, dan moet de rechtsverhouding daarna dus nog steeds worden gekwalificeerd als rechtsverhouding. Het is de kantonrechter niet gebleken dat de arbeidsovereenkomst op een andere manier is geëindigd. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst op het moment van de dagvaarding nog steeds voortduurde. De geëiste verklaring voor recht wordt daarom toegewezen. SHM moet het vakantiegeld over juni 2021 tot en met mei 2022 betalen met wettelijke verhoging en rente. SHM wordt veroordeeld om loonstroken over de periode juni 2021 tot en met maart 2023 en de jaaropgave van 2022 af te geven, zoals geëist door werknemer. De eis om SHM te veroordelen de pensioenpremie rechtstreeks aan werknemer te betalen wordt afgewezen, omdat hier geen basis voor is.