Naar boven ↑

Rechtspraak

Rechtbank Gelderland, 5 september 2023
Rechtbank herroept besluit staatssecretaris tot oplegging boete aan werkgever na arbeidsongeval. Verwijtbaarheid werkgever ontbreekt volledig. Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling schadevergoeding aan werkgever vanwege overschrijding redelijke termijn (art. 6 EVRM).

Feiten

Werkgeefster produceert super premium babyvoeding. Op 5 februari 2018 heeft werkgeefster een overtreding begaan van artikel 7.4 lid 3 van het Arbobesluit. Hiervoor heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) een boete opgelegd en deze boete is onherroepelijk geworden. Op 21 december 2019 heeft zich een arbeidsongeval voorgedaan waarbij een werknemer van werkgeefster blijvend letsel heeft opgelopen. Werknemer verrichtte die dag samen met een collega werkzaamheden bestaande uit het opbouwen van een machine. Nadat zij deze werkzaamheden hadden beëindigd verlieten zij de ruimte waarin de machine stond. Even later bedacht werknemer (het slachtoffer) zich dat ze vergeten waren een rubberen pakking te plaatsen. Hij is toen alleen teruggegaan naar de machine. De rubberen pakking moest geplaatst worden in de binnenzijde van de hopper, die door middel van een stalen deksel was afgesloten. Aan de achterzijde van de hopper stond een verrijdbare constructie. Deze verrijdbare constructie belemmerde dat de deksel van de hopper geheel geopend kon worden. Op het moment dat werknemer de borgpen wilde pakken om de deksel te borgen, viel de deksel naar beneden, als gevolg waarvan werknemer blijvend letsel heeft opgelopen, namelijk amputatie van het eindsegment van de rechterduim. De staatssecretaris heeft aan werkgeefster een boete opgelegd van € 13.500 vanwege overtreding van artikel 7.4 lid 3 van het Arbobesluit. De hoogte van de boete is als volgt tot stand gekomen. Op grond van de Beleidsregel boeteoplegging geldt voor een dergelijke overtreding een bedrag van € 9000. Dit bedrag is met 3 vermenigvuldigd (€ 27.000), omdat het letsel van het slachtoffer is aangemerkt als ‘licht blijvend letsel’. Aangezien sprake is van recidive is de boete verdubbeld tot een bedrag van € 54.000. Tot slot is aanleiding gezien de boete te matigen met 75%, omdat werkgeefster aan drie van de vier in artikel 1 lid 11 aanhef onder a tot en met d van de Beleidsregel boeteoplegging neergelegde matigingsgronden heeft voldaan (namelijk de gronden a, b en c). Dit heeft aldus geresulteerd in een boete van € 13.500. Omdat, gelet op de eerdere boete in 2018, sprake is van een herhaaldelijke overtreding, heeft de staatssecretaris tevens een waarschuwing gegeven dat bij een toekomstige soortgelijke overtreding kan worden overgegaan tot stillegging van werk. Werkgeefster heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt, maar de staatssecretaris is bij zijn besluiten gebleven. Werkgeefster heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.

Oordeel

De rechtbank beoordeelt de aan werkgeefster opgelegde boete van € 13.500 en de aan werkgeefster gegeven waarschuwing preventieve stillegging en acht beide beroepen gegrond.

Boete

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat een arbeidsmiddel zodanig was geplaatst dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis zou voordoen, in dit geval het dichtvallen van de deksel van de hopper, niet zo veel mogelijk is voorkomen. De staatssecretaris is daarom in beginsel bevoegd een boete op te leggen op grond van artikel 7.4 lid 3 Arbobesluit. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze overtreding aan werkgeefster te wijten is. In artikel 1 lid 4 van de Beleidsregel boeteoplegging zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25%. De vraag of werkgeefster een verwijt te maken valt, hangt dus samen met de vraag of zij aan die vier matigingsgronden heeft voldaan. De staatssecretaris heeft de boete reeds met 75% gematigd, nu aan drie matigingsgronden is voldaan. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de staatssecretaris terecht de vierde matigingsgrond, of er adequaat toezicht is gehouden, niet heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat werknemer aantoonbaar is geïnstrueerd dat hij na het openen van de deksel de borgpen bij het dekselscharnier moest plaatsen, hetgeen hij niet (direct) heeft gedaan. Dit stond immers in de werkinstructie, geparafeerd door werknemer. De stelling van de staatssecretaris dat het slachtoffer onervaren was en er in het kader van adequaat toezicht meer van werkgeefster mocht worden verwacht, volgt de rechtbank niet. Er is niet zozeer gebleken van onervarenheid, als wel van onzorgvuldig handelen, door alsnog snel de rubberen pakking te plaatsen. Wat werkgeefster had kunnen doen om dit ongeval te voorkomen blijkt overigens ook niet uit het bestreden besluit, niet uit het verweerschrift en ook niet uit dat wat op de zitting is besproken. Van een werkgever wordt niet verwacht dat hij continu naast de werknemer staat toe te kijken hoe diegene het werk uitvoert. Er is aldus aangetoond dat sprake was van adequaat toezicht. Daarmee ontbreekt de verwijtbaarheid van werkgeefster volledig en bestond er geen aanleiding een boete op te leggen. De rechtbank herroept het besluit tot oplegging van de boete.

Waarschuwing preventieve stillegging

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van de waarschuwing. De staatssecretaris zal opnieuw een afweging moeten maken of er aanleiding is de waarschuwing achterwege te laten, nu uitgaande van een matiging met (niet 75% maar) 100%.

Redelijke termijn artikel 6 EVRM

Werkgeefster heeft tot slot verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De rechtbank overweegt dat in punitieve zaken als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties (de bestuurlijke en de rechterlijke fase) in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. In dit geval is die redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden. Dit rechtvaardigt een compensatie voor immateriële schade. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan werkgeefster tot een bedrag van € 3000.