Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 15 november 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:6735
Werkgeefster heeft werkneemster er nooit op gewezen dat zij haar wettelijk verlof tijdig dient op te nemen omdat anders het recht op dat verlof komt te vervallen. De vordering wordt toegewezen.

Feiten

Werkneemster is krachtens een arbeidsovereenkomst op 1 september 1999 in dienst van werkgeefster getreden. Werkgeefster heeft over de periode maart 2021 tot en met november 2022 geen loonstroken verstrekt. Werkneemster heeft op 30 november 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op die datum geëindigd. Werkneemster heeft schriftelijk verzocht om een eindafrekening te verstrekken en om uitbetaling van niet genoten verlofuren alsmede van vakantiegeld. Ook heeft werkneemster werkgeefster erop gewezen dat bij de Belastingdienst geen loongegevens van haar bekend zijn over het jaar 2022. Werkgeefster heeft uiteindelijk geen eindafrekening verstrekt, geen verdere betalingen aan werkneemster verricht en evenmin een jaaropgaaf over het jaar 2022 verstrekt. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, niet-genoten verlofuren en verstrekking van loonspecificaties.

Oordeel

De loonvordering is toewijsbaar. Niet betwist is dat werkneemster recht had op een cao-loonsverhoging van 2% met ingang van 1 april 2022, maar die niet heeft ontvangen. Werkneemster heeft dan dus inderdaad nog recht op betaling van een bedrag van € 188,52 bruto. Tegen de vordering tot betaling van vakantiebijslag heeft werkgeefster geen verweer gevoerd. Vaststaat dat werkneemster recht had op het gestelde brutoloon per maand en op 8% vakantietoeslag. De berekening van het bedrag van € 534,15 is dus juist. Werkgeefster stelt niet dat zij dit bedrag aan werkneemster betaald heeft. Hieruit volgt dat het bedrag van € 534,15 zal worden toegewezen. Werkgeefster heeft geen verweer gevoerd tegen de berekening over het aantal verlofuren. Wel heeft zij bezwaar tegen de uitbetaling van alle openstaande verlofuren omdat werkneemster tweeëneenhalf jaar thuis heeft gezeten. Ook voert werkgeefster aan dat de verlofdagen zijn vervallen. Dit verweer kan werkgeefster niet baten. Het feit dat werkneemster niet (of nauwelijks) meer werkzaamheden voor werkgeefster heeft verricht, maakt niet dat zij geen verlofuren opgebouwd heeft. Die verlofuren zijn niet komen te vervallen. Werkgeefster heeft werkneemster er namelijk nooit op gewezen dat zij haar wettelijk verlof tijdig dient op te nemen omdat anders het recht op dat verlof komt te vervallen. De vordering wordt toegewezen. Werkgeefster wordt ook veroordeeld tot het verstrekken van de jaaropgave over 2022 en de loonspecificaties.