Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 21 november 2023
ECLI:NL:RBOVE:2023:4775
Geschil over doorbetaling loon tijdens werkonderbrekingen en registratie pauze-uren. Loonvordering, wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en accountantskosten toegewezen.

Feiten

Werkneemster is van 1 augustus 2019 tot en met 1 november 2022 werkzaam geweest bij werkgeefster in de functie van taxichauffeur. De arbeidsovereenkomst van werkneemster is beëindigd met wederzijds goedvinden. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitbetaling van het loon tijdens werkonderbrekingen tussen de ritten en de pauzetijden. Dit geschil is door partijen uitgesloten van de finale kwijting die zij hebben afgesproken in hun vaststellingsovereenkomst. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon (€ 9750,45 bruto) te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, accountantskosten en proceskosten. Volgens werkneemster heeft werkgeefster de op haar arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao’s voor wat betreft de werkonderbrekingen en pauzes niet juist nageleefd. Ter vaststelling van de hoogte van haar vordering heeft werkgeefster Countus Accountants en Adviseurs B.V. (hierna: Countus) opdracht gegeven om aan de hand van haar rittenstaten en het door werkgeefster uitbetaalde loon te achterhalen op hoeveel loon zij nog recht heeft.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het primaire verweer van werkgeefster dat werkneemster te laat is met klagen slaagt niet. Voor een loonvordering geldt namelijk een verjaringstermijn van vijf jaar. Omdat deze termijn voor de afzonderlijke loonbetalingen nog niet is verstreken, kan werkneemster haar vordering aan de kantonrechter voorleggen. Ook is geen sprake van rechtsverwerking.  Een beroep op rechtsverwerking slaagt als het innen van de vordering, vanwege de voorafgaande houding en gedragingen van de schuldeiser, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Enkel stilzitten van de schuldeiser is daarvoor niet voldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die bij werkgeefster het vertrouwen hebben gewekt dat werkneemster haar aanspraak niet meer geldend zal maken of dat de positie van de werkgeefster onredelijk zal worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de werkneemster haar aanspraak alsnog geldend zal maken. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Werkneemster is – op het moment dat bij haar de indruk ontstond dat de loonbetaling niet conform cao was – in gesprek gegaan met werkgeefster en zij heeft ook kort daarna aanspraak gemaakt op de achterstallige betaling. De aanspraak van werkneemster is ook uitdrukkelijk uitgezonderd van de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Werkgeefster heeft er dan ook geen enkel moment gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat werkneemster haar aanspraak niet meer geldend zou maken, zodat van rechtsverwerking geen sprake is. Werkgeefster heeft verder aangevoerd dat werkneemster haar vordering niet goed heeft onderbouwd. De kantonrechter stelt voorop dat het aan werkneemster is om haar vordering te onderbouwen. Zij heeft dat gedaan met het overzicht van Countus. Dat er in dit overzicht geen specifieke data zijn opgenomen, maakt niet dat er voor werkgeefster geen verweer mogelijk is. Werkgeefster beschikt als werkgever over alle rittenstaten en is bij uitstek degene die aan de hand van de ingevulde rittenstaten en de door haar geschoonde rittenstaten kan aantonen welke uren wel of niet betaald zijn. Werkgeefster heeft nagelaten om – in het kader van haar betwisting – gemotiveerd te onderbouwen dat de vordering van werkneemster onjuist is. De vordering ter zake van het achterstallig loon wordt toegewezen en de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20% omdat sprake is van een verschil van inzicht en niet van opzet. Tot slot worden de buitengerechtelijke incassokosten en accountantskosten toegewezen. Die komen niet onredelijk voor.