Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 7 februari 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:1395
Feiten
Werknemer is van 1963 tot en met 1996 werkzaam geweest bij het ministerie van Defensie (hierna: Defensie). Hij heeft in 1996 functioneel leeftijdsontslag gekregen in verband met het bereiken van de 50-jarige leeftijd. Aansluitend is aan werknemer een uitkering toegekend op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen, die hij tot 2011 heeft ontvangen. Gedurende deze jaren (1996-2011) bouwde werknemer nog gedeeltelijk pensioen op. Vanaf 2011 – werknemer is dan 65 jaar oud – ontvangt werknemer pensioen via het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Tot 1 juni 2001 was de Algemene militaire pensioenwet (AMP) van toepassing. De AMP voorzag in een recht op onvoorwaardelijke indexatie. Met ingang van 1 januari 1996 is het ABP geprivatiseerd met de Wet privatisering ABP (WPA) en is de ABP-wet komen te vervallen. De privatisering van het ABP is aanleiding geweest voor een overgang van de militaire pensioenen naar het ABP. Vanaf 1 juni 2001 is dan ook het ABP-pensioenreglement van toepassing op militaire pensioenen. Het ABP-pensioenreglement zoals dat per die datum gold, kende een recht op voorwaardelijke indexatie. De pensioenreglementen die het ABP in 2006, 2008, 2010 en 2016 hanteerde, voorzagen eveneens in een recht op voorwaardelijke indexatie. Over de periode 2011 tot en met 2021 is het pensioen van werknemer niet (volledig) geïndexeerd. In de jaren 2022 en 2023 is het pensioen van werknemer wel geïndexeerd. Werknemer is ieder jaar in januari door het ABP via betaalspecificaties geïnformeerd over het al dan niet indexeren van zijn pensioen. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of Defensie onrechtmatig heeft gehandeld jegens werknemer door het pensioen dat hij tot en met 2001 heeft opgebouwd vanaf 2011 niet langer onvoorwaardelijk te laten indexeren door het ABP. De discussie die daarbij tussen partijen speelt, is of de wijziging van een onvoorwaardelijk naar een voorwaardelijk recht op indexatie van militair pensioen in 2001, zoals werknemer stelt, dan wel in 1996, zoals Defensie betoogt, ook zag op pensioenaanspraken die tot dan toe onder de AMP waren opgebouwd. Werknemer stelt dat dit niet het geval is en dat hij (nog steeds) een onvoorwaardelijk recht op indexatie heeft van dat opgebouwde pensioen. Defensie stelt dat dit wel het geval is en dat over die pensioenopbouw dus geen onvoorwaardelijk recht op indexatie meer bestaat.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Wijziging indexatierechten militaire pensioenen
De kantonrechter is allereerst van oordeel dat, gelet op het verloop van de verschillende wetswijzigingen, het indexatiebeleid voor het militair pensioen per 1 januari 1996 is aangepast en voorwaardelijk is geworden. Deze voorwaardelijke indexatie ging vanaf die datum krachtens de WPA gelden voor alle overheidswerknemers en dus ook voor militairen. De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat de aanpassing van het indexatiebeleid voor de militaire pensioenen van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk ook betrekking had op reeds onder het AMP opgebouwd pensioen. Voor dat oordeel is steun te vinden in de tekst van artikel 10 lid 1 WPA zoals deze vanaf 1996 luidde. In dat artikel wordt uitdrukkelijk vermeld dat de voorwaardelijke indexatiebepaling ook geldt voor op 31 december 1995 ‘reeds bestaande uitzichten op pensioen’. De kantonrechter kan deze tekst niet anders uitleggen dan dat daarmee reeds opgebouwde pensioenaanspraken worden bedoeld. Met inachtneming van het voorgaande beoordeelt de kantonrechter de door werknemer gevorderde verklaringen voor recht.
Schending goed werkgeverschap
Werknemer stelt allereerst dat Defensie de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden door hem nooit persoonlijk te informeren over de wijziging van het indexatiebeleid voor militair pensioen van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk. Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter echter in het midden blijven, omdat, ook al zou sprake zijn van een dergelijke normschending, van een causaal verband tussen die schending en de door werknemer gestelde schade (het niet ontvangen van indexatie over het in de periode 1963-2001 opgebouwd pensioen wat na 2011 tot heden uitbetaald had moeten worden) geen sprake is. Werknemer heeft derhalve geen belang bij zijn verklaring voor recht dat Defensie niet als goed werkgever heeft gehandeld.
Schending Europees eigendomsrecht/artikel 20 Pensioenwet
Van schending van artikel 17 Handvest EU is evenmin sprake, nu niet is voldaan aan het zogenoemde connexiteitsvereiste van voornoemde bepaling. Dat vereiste houdt in dat het Handvest alleen kan worden ingeroepen wanneer er voldoende verband bestaat tussen een regel van het Unierecht en de nationale handeling, bepaling of praktijk die in strijd zou zijn met het handvest. Er bestaat in dit geval onvoldoende samenhang tussen het achterwege laten van voorwaardelijke indexering en het Unierecht om te kunnen toetsen aan artikel 17 Handvest EU. Tot slot heeft werknemer zich beroepen op artikel 20 Pensioenwet. Voornoemd artikel bevat een wijzigingsverbod voor opgebouwde pensioenaanspraken. De kantonrechter overweegt dat de Pensioenwet op 1 januari 2007 in werking is getreden. Dat betekent dat artikel 20 Pensioenwet in 1996 (nog) geen gelding had, waardoor het wijzigingsverbod aan die wijziging niet in de weg heeft kunnen staan.
Conclusie
De conclusie uit het voorgaande is dat de kantonrechter niet voor recht zal verklaren dat Defensie niet als goed werkgever heeft gehandeld en evenmin dat zij heeft gehandeld in strijd met artikel 17 Handvest EU en/of artikel 20 Pensioenwet en aansprakelijk is voor de door werknemer gestelde pensioenschade. Daarmee bestaat ook geen grond om Defensie te veroordelen tot vergoeding daarvan. De vordering van werknemer wordt dan ook integraal afgewezen.