Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 6 februari 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:639
Feiten
Werknemer is per 1 april 2022 bij werkgeefster in dienst getreden als horecamedewerker. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca en aanverwant bedrijf 2022-2023 (hierna: cao) van toepassing. In artikel 2.12 van de cao is opgenomen dat een werknemer minuren heeft opgebouwd indien op de einddatum van de arbeidsovereenkomst minder uren zijn gewerkt dan het overeengekomen en uitbetaalde aantal. Als de opbouw in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen mag de werkgever de minuren bij de eindafrekening verrekenen. Het resterende bedrag dient de werknemer binnen twee maanden na het beëindigen van het dienstverband te voldoen. Werknemer heeft het dienstverband op 7 januari 2023 per direct en zonder opzegtermijn opgezegd. In geschil is of werknemer tegenover werkgeefster volledig heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Werkgeefster stelt dat werknemer haar minuren en een gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd, vermeerderd met incassokosten, een proceskostenveroordeling en wettelijke rente. Werknemer vordert afwijzing van de verzoeken en een proceskostenveroordeling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Vervaltermijn
Werkgeefster heeft de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW niet in acht genomen. Omdat werknemer geen beroep heeft gedaan op de vervaltermijn hoeft de kantonrechter daaraan geen gevolgen te verbinden.
Opzegtermijn - schadevergoeding
Werknemer voert aan dat hij geen opzegtermijn in acht hoefde te nemen omdat hij vanwege een dringende reden ontslag op staande voet heeft genomen. Hij heeft echter niet onverwijld mededeling gedaan daar hij al stopte met werken voordat hij werkgeefster had geïnformeerd. Daarnaast had werknemer al langer kritiek op werkomstandigheden, zoals het vergunningsloos alcohol schenken. Hij verbond daar echter geen duidelijke gevolgen aan en de opzegging kwam voor werkgeefster volkomen onverwacht. Daarnaast liet werknemer zijn opzegging afhangen van het opgooien van een muntstuk. Uit dit geheel kan niet worden afgeleid dat zich op 7 januari 2023 een concrete acute situatie voordeed waardoor van werknemer niet langer gevergd kon worden in dienst te blijven. Omdat werknemer geen opzegtermijn heeft gehanteerd en geen sprake is van rechtsgeldig ontslag op staande voet, is werknemer een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd ter grootte van zijn loon inclusief vakantiegeld van 7 januari tot 1 maart 2023 vermeerderd met de wettelijke rente.
Minuren
Werknemer stelt dat hij de opgebouwde minuren door en voor rekening van werkgeefster niet heeft kunnen verrichten. Werkgeefster heeft de kwestie echter met werknemer besproken, waardoor werknemer eveneens in een andere vestiging extra is gaan werken. Daarnaast werd van werknemer verwacht dat hij buiten openingstijden nog administratieve werkzaamheden zou verrichten, wat hij niet heeft gedaan. De situatie dat werknemer door familiale omstandigheden kortstondig niet kon werken kan werkgeefster niet worden verweten. Door de plotselinge beëindiging heeft werknemer het niet wegwerken van de minuren zelf in de hand gewerkt. Werkgeefster mocht daarom minuren verrekenen bij de eindafrekening. Het resterende gedeelte diende werknemer binnen twee maanden na beëindiging te betalen. Daarom is het restant inclusief wettelijke rente per 7 maart 2023 verschuldigd.
Proceskosten
De verzoeken van beide partijen tot proceskostenveroordeling van de andere partij worden afgewezen. De context waarin werkgeefster werknemer zonder vergunning vergunningsplichtige werkzaamheden heeft laten verrichten getuigt niet van voorbeeldig werkgeversgedrag. Om daaraan enigszins recht te doen acht de kantonrechter het gerechtvaardigd te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.