Rechtspraak
Feiten
Werkgeefster drijft een onderneming die onder meer transportwerkzaamheden verricht. Zij valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde Cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao). In de cao is opgenomen dat de werkgever gehouden is op schriftelijk verzoek van een werknemersorganisatie binnen vier weken schriftelijk aan te tonen dat de cao correct is nageleefd. De Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: FNV) is een werknemersvereniging. FNV heeft het toezicht op de naleving van de cao opgedragen aan de stichting VNB. In dat kader heeft VNB werkgeefster herhaaldelijk verzocht en gesommeerd bepaalde stukken over te leggen. Omdat werkgeefster niet over ging tot het overleggen van die stukken, is een bodemprocedure gestart. In die bodemprocedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 31 oktober 2023 geoordeeld dat werkgeefster niet heeft aangetoond dat zij diverse bepalingen uit de cao correct heeft nageleefd. De kantonrechter heeft dan ook voor recht verklaard dat werkgeefster gehouden is de cao correct na te leven ten aanzien van alle werknemers, waaronder de chauffeurs die in dienst zijn van de vestiging in Polen maar door werkgeefster te werk zijn gesteld, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000. Inmiddels is dit maximum bereikt en is werkgeefster volgens FNV niet overgegaan tot correcte naleving. FNV stelt dan ook dat de opgelegde dwangsom van de kantonrechter onvoldoende prikkel is (geweest) tot naleving. Zij verzoekt de voorzieningenrechter in onderhavige kortgedingprocedure de opgelegde dwangsommen te verhogen naar € 10.000 per dag, met een maximum van € 500.000. Werkgeefster stelt daarentegen dat zij wel aan de veroordelingen in het vonnis heeft voldaan. Los daarvan stelt werkgeefster nog dat er hoe dan ook geen baten meer zijn in het bedrijf, zodat de hoogte van de dwangsom niet ter zake doet.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft niet betwist dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat de voorzieningenrechter dit aanneemt en doorgaat met de inhoudelijke beoordeling van de vordering. Bij die inhoudelijke beoordeling is volgens de voorzieningenrechter van belang om onderscheid te maken tussen de dwangsomrechter en de executierechter. De dwangsomrechter is namelijk niet bevoegd om zich uit te laten over de vraag of de hoofdveroordeling is nagekomen. Dat oordeel komt toe aan de executierechter. In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter als dwangsomrechter. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat in de rechtspraak de mogelijkheid is aanvaard dat de opgelegde dwangsom wordt verhoogd indien gewijzigde omstandigheden, waaronder het gegeven dat inmiddels is gebleken dat de eerder opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel tot nakoming heeft gevormd, optreden. De voorzieningenrechter oordeelt dat FNV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgeefster, ondanks de opgelegde dwangsom, herhaaldelijk het verbod heeft geschonden nu zij in ieder geval van negen werknemers nog niet de door VNB verlangde gegevens heeft overgelegd. Een krachtiger prikkel in de vorm van een hogere dwangsom wordt in dit geval dan ook noodzakelijk geacht. De voorzieningenrechter verhoogt de gevorderde dwangsom derhalve tot € 2.500 per dag met een maximum van € 200.000. Dat werkgeefster over onvoldoende baten beschikt, is daarentegen onvoldoende aannemelijk gemaakt.