Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 26 maart 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:461
Feiten
Werkneemster is op 1 augustus 2019 in dienst getreden bij werkgeefster. Werkneemster is in februari 2022 tweemaal ziek geweest in verband met COVID-19. Op 8 april 2022 heeft werkneemster zich bij de werkgever per e-mail ziekgemeld in verband met het nog steeds bestaan van klachten als gevolg van de COVID-besmetting. De bedrijfsarts heeft op 19 juli 2022 geoordeeld dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Werkgeefster heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld, die werkneemster op vijf dagen (drie in augustus en twee in oktober) heeft geobserveerd (zonder haar medeweten). In de periodieke evaluatie in augustus en oktober bij de bedrijfsarts is geconcludeerd dat werkneemster niet in staat is haar eigen of andere, aangepaste, werkzaamheden uit te voeren. Op 14 oktober 2022 heeft Hoffmann aan werkgeefster gerapporteerd. Werkneemster is bij brief van diezelfde datum op staande voet ontslagen. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat uit onderzoek blijkt dat er bij werkneemster niet van enige beperking en/of ziekte is gebleken, zodat zij welbewust heeft gelogen tegen werkgeefster en de bedrijfsarts over haar ziekte c.q. beperkingen, dan wel de ziekte heeft geveinsd of bedrog heeft gepleegd dan wel haar re-integratie of herstel op ernstige wijze heeft tegengewerkt. Werkneemster heeft op 24 oktober 2022 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Die heeft geconcludeerd dat werkneemster op 8 april 2022 niet haar eigen werk kon doen. Werkneemster heeft in eerste aanleg o.a. een verklaring voor recht gevraagd dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:669 BW, vernietiging van het ontslag en doorbetaling van het loon. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Werkgeefster komt tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Het ontslag op staande voet is er in de kern op gebaseerd dat werkneemster zich ziek heeft gemeld terwijl zij niet ziek is en dus heeft gelogen over haar arbeidsongeschiktheid dan wel heeft gelogen over haar mogelijkheden tot werken en/of re-integratie. Dit baseert werkgeefster op haar eigen waarnemingen en die van haar zus en dochter, alsmede op de bevindingen van Hoffmann. Het hof acht deze bevindingen onvoldoende voor de getrokken conclusie. Uit het deskundigenoordeel van het UWV blijkt dat werkneemster per 8 april 2022 haar werk niet kon doen. Ook de bedrijfsarts heeft meerdere keren geadviseerd dat zij niet in staat is om de werkzaamheden te verrichten. Werkgeefster had de bedrijfsarts overigens kunnen inlichten over de bevindingen, om te onderzoeken of de eerdere adviezen moesten worden bijgesteld. Dat heeft werkgeefster niet gedaan, terwijl zij noch Hoffmann kundig is om te beoordelen of werkneemster arbeidsongeschikt is. Ten aanzien van het verwijt met betrekking tot cliënt 1 heeft te gelden dat een enkele verdenking dat werkneemster zorg levert aan cliënt 1, nog geen dringende reden oplevert. Het hof maakt uit de ontslagbrief op dat deze verdenking ook alleen heeft geleid tot het instellen van een onderzoek en dat dit punt vervolgens niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. De enige omstandigheid die dan nog aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt, is het verwijt dat werkneemster in staat was zorg te verlenen aan cliënt 3 en dit ook gedaan heeft. Vast staat dat werkneemster arbeidsongeschikt was en niet in staat was de bedongen werkzaamheden uit te voeren. Uitgaande van deze omstandigheid is het hof van oordeel dat dan de enkele omstandigheid dat werkneemster een derde die hulpbehoevend is, heeft geholpen voor niet meer dan een uur per dag, gelet ook op al de andere omstandigheden die tussen partijen speelden, onvoldoende is om over te gaan tot de zeer ernstige maatregel van een ontslag op staande voet.