Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 23 mei 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:2638
Feiten
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 2 maart 2023, waarin op alle verzoeken is beslist met uitzondering van de door werknemer gevraagde immateriële schadevergoeding en de buitengerechtelijke advocaatkosten, alsmede over de proceskosten. Tijdens de laatste zitting op 14 december 2023 is aan partijen gevraagd of in deze procedure inderdaad enkel nog beslist hoeft te worden over de door werknemer gevraagde immateriële schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten Partijen hebben deze vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank volgt partijen hierin.
Oordeel
Werknemer heeft aan de vordering voor de schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij door toedoen van de RvT het slachtoffer is geworden van intimidatie, misleiding, aantasting van zijn eer en goede naam in de onderwijssector, omdat de RvT aan hem een communicatieverbod heeft opgelegd en zonder enige grond onderzoeken tegen hem heeft ingesteld. Als gevolg hiervan heeft werknemer langdurig stress moeten ervaren, gezondheidsschade geleden, zich ziek moeten melden en levensvreugde gederfd. Bij verzoekschrift begroot werknemer deze schade op € 30.000. Na eiswijziging heeft werknemer de immateriële schadevergoeding verhoogd naar € 50.000. Bij beschikking van heden in de (andere) tussen partijen gevoerde ontbindingsprocedure met zaaknummer 309726 HA RK 22-245 heeft de rechtbank bij het vaststellen van de billijke vergoeding de component “immateriële schadevergoeding” betrokken. Deze heeft betrekking op dezelfde elementen als aan de vordering in de onderhavige procedure ten grondslag is gelegd. Er bestaat geen aanleiding om voor hetzelfde twee keer een schadevergoeding toe te wijzen zodat dit verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank stelt vast dat werknemer alle kosten die zien op juridische bijstand op één hoop heeft gegooid. Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen de kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de procedure (buitengerechtelijke kosten) of kosten die verband houden met het ernstig verwijtbare handelen van Meerderweert dat tot het einde van de arbeidsovereenkomst heeft geleid (billijke vergoeding). In de procedure met zaaknummer 309726 HA RK 22-245 heeft de rechtbank aan werknemer een billijke vergoeding toegekend maar daarbij is geen rekening gehouden met de component “juridische kosten”. De rechtbank is van oordeel dat ook een schending van goed werkgeverschap door de werkgever (art. 7:611 BW) de grondslag kan vormen voor vergoeding van de daadwerkelijke kosten van juridische bijstand. In de procedure met zaaknummer 309726 HA RK 22-245 heeft de rechtbank vastgesteld dat Meerderweert ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat dat ertoe heeft geleid dat de arbeidsovereenkomst wezenlijk eerder is geëindigd dan anders het geval zou zijn geweest. Het staat voor de rechtbank ook vast dat werknemer hierdoor genoodzaakt was zich te voorzien van juridische bijstand. De rechtbank acht het daarom aangewezen dat zijn juridische kosten (deels) door Meerderweert worden vergoed. Uiteindelijk acht de rechtbank een bedrag van € 20.000 toewijsbaar als vergoeding voor gemaakte juridische kosten, naast de vergoeding voor proceskosten volgens het liquidatietarief.