Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 21 mei 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:7620
Feiten
Werknemer is op 15 september 2020 in dienst getreden bij Ceva. Partijen hebben ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 31 maart 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan het dienstverband op 1 augustus 2023 is geëindigd. De onderhandelingen zijn enige tijd gevoerd door de (toenmalige) advocaten van partijen, maar uiteindelijk hebben partijen rechtstreeks de onderhandelingen gevoerd. Partijen zijn overeengekomen dat werkgever € 15.000 aan advocaatkosten betaalt en het overige bedrag wordt verrekend met de transitievergoeding. Niet is gespecificeerd of het gaat om een bruto- of nettobedrag. Ceva heeft een bedrag van in totaal € 29.036,91 inclusief btw aan advocaatkosten aan het kantoor van de gemachtigde van werknemer betaald. Bij e-mails van 19 oktober 2023 en 16 november 2023 heeft de gemachtigde van werknemer Ceva gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 14.373,26 netto. Werknemer vordert betaling van voornoemd bedrag.
Beoordeling
Vast staat dat de advocaatkosten conform de beschreven wijze in de vaststellingsovereenkomst zijn uitbetaald aan de advocaat van werknemer en het deel dat voor rekening van werknemer kwam, van zijn brutobeëindigingsvergoeding is afgetrokken. Partijen zijn het in zoverre dus eens dat dat op juiste wijze is uitgevoerd. De kern van het geschil is of de advocaatkosten van werknemer, die Ceva (deels) heeft betaald, als brutoloon moet worden aangemerkt en als zodanig kan worden verrekend. Werknemer stelt dat die verloning van de advocaatkosten niet de bedoeling is geweest, terwijl Ceva stelt dat zij de vaststellingsovereenkomst conform de fiscale regeling heeft uitgevoerd. Beide partijen beroepen zich dan ook op de afspraken die zijn vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst en de verwachtingen die zij op grond daarvan mochten hebben. Dat Ceva fiscaal juist dient te handelen is niet in geschil tussen partijen, maar de vraag ligt voor wie de loonbelastinglast draagt. Daarvoor is de uitleg van de vaststellingsovereenkomst van belang. Voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst op dit onderdeel zijn de e-mails tussen werknemer en X van belang. In die e-mails wordt gesproken over bedragen aan advocaatkosten zonder daarbij te benoemen of die bedragen bruto of netto zijn. Uit de tekst van de e-mails kan worden opgemaakt dat een deel van de kosten, € 15.000, voor rekening van Ceva zou komen. Het resterende deel van de kosten blijft gewoon voor rekening van werknemer, maar dat deel zou van de brutobeëindigingsvergoeding worden afgehaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werknemer daarover verklaard dat hij daarmee beoogde een bruto-nettovoordeel te verkrijgen. De verwachting van werknemer was dan ook dat er geen andere kosten meer zouden zijn, mede ook gelet op de mededeling in de e-mail aan Ceva “All these costs paid by Ceva are fiscally deductible anyhow". Nog los van de vraag of dit laatste fiscaal juist is, geeft dit wel de verwachting van werknemer weer. Wat de verwachting van Ceva betreft, is de mededeling “I need to limit the lawyer costs to 30K (=15K for me).” relevant. Daaruit kan immers worden opgemaakt dat zij de verwachting had dat de advocaatkosten niet boven € 30.000 zouden uitkomen. Na deze e-mails is de vaststellingsovereenkomst opgesteld. Daarin wordt niet benoemd of de vergoeding van de advocaatkosten bruto of netto is. Opvallend is dat met betrekking tot de beëindigingsvergoeding en de transitievergoeding wel expliciet benoemd is dat die bedragen bruto zijn. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat werknemer uit de mededeling van Ceva over de maximumadvocaatkosten redelijkerwijs niet hoefde te verwachten dat Ceva die kosten als een maximumbrutovergoeding heeft bedoeld, terwijl daartegenover Ceva wel redelijkerwijs had moeten begrijpen dat werknemer een bruto/nettovoordeel op het oog had waarbij nog een expliciete voorbeeldberekening is gegeven. Hierbij weegt nog mee dat het niet ongebruikelijk is dat de loonbelasting over de advocaatkosten bij een vaststellingsovereenkomst voor rekening van de werkgever blijven. Dat het in dit specifieke geval om een aanzienlijk bedrag aan loonbelasting gaat, maakt dat niet anders. Het had op de weg van Ceva gelegen om daar aan de voorkant duidelijkheid over te creëren. Het achteraf alsnog in rekening brengen van deze loonkosten bij werknemer stuit af tegen de verleende finale kwijting. Het voorgaande betekent dat Ceva ten onrechte de advocaatkosten heeft verloond en belast bij werknemer.