Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 12 juli 2024
ECLI:NL:RBOVE:2024:3742
Feiten
Werkgeefster, de Stichting RTV Noordoost Twente (hierna: RTV), is een radio- en tv-omroep die met name in Noordoost Twente het media-aanbod verzorgt. Werknemer is op 1 januari 2021 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij RTV voor de duur van één jaar in de functie van redactiemedewerker tegen een brutosalaris van € 1.200,16 exclusief vakantietoeslag en reservering vakantiedagen. Deze arbeidsovereenkomst is op 1 januari 2022 en vervolgens op 1 januari 2023 telkens voor de duur van één jaar verlengd. Op 30 november 2023 bericht RTV werknemer (aanzegging) dat de arbeidsovereenkomst op 31 december 2023 afloopt en dat deze niet onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet. Ook wordt aangegeven dat in de komende maanden overleg plaatsvindt over de opties voor een vervolg. Vanaf januari 2024 appen partijen over de mogelijkheid van voortzetting van de arbeidsovereenkomst. RTV vraagt daarbij of een min-maxconstructie werkbaar is voor werknemer, te beginnen met 16 uren per week en dan stapsgewijs opbouwen naar 24 uur per week. Werknemer kan zich hier niet in vinden. Vanaf 1 januari 2024 heeft RTV geen loon meer betaald, hoewel werknemer vanaf die datum wel werkzaamheden heeft verricht en tot 2 mei 2024 zijn dagelijkse radioshow tussen 13.00 -16.00 heeft samengesteld en gepresenteerd. Werknemer vordert veroordeling van RTV tot betaling van loon over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 mei 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging, vakantietoeslag en wettelijke rente. Tevens vordert hij veroordeling van RTV tot betaling aan hem van het loon ad € 1.499,68 bruto per maand op basis van een 24-urige werkweek met ingang van 1 juni 2024 tot de dag dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. RTV voert verweer en stelt dat werknemer weliswaar na 1 januari 2024 werkzaamheden heeft verricht maar dat dit op vrijwillige basis was en dat RTV daar nooit opdracht voor heeft gegeven.
Oordeel
Werknemer stelt dat de aanzeggingsbrief d.d. 30 november 2023, waarbij hij werd geïnformeerd over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 31 december 2023, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen zoals bepaald in artikel 7:668 BW. De aanzeggingsbrief kan niet worden losgezien van het daarop volgend WhatsApp-verkeer. De kantonrechter ziet dat anders: niet het WhatsApp-bericht maar de mail van 30 november 2023 is de formele aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 BW. Die aanzegging is helder: de arbeidsovereenkomst wordt niet onder dezelfde voorwaarden voortgezet en wordt beëindigd. Ook voor werknemer moet de aanzegging duidelijk zijn geweest: geen verlenging/voortzetting van het bestaande contract. Er heeft ook niet voor niets een eindafrekening plaatsgevonden in december 2023. Werknemer heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij na 1 januari 2024 substantiële werkzaamheden heeft verricht, een overzicht van verrichte werkzaamheden in het geding gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat RTV te weinig heeft afgedongen op de juistheid van de door werknemer gegeven onderbouwing zodat in deze procedure ervan moet worden uitgegaan dat die onderbouwing klopt. Kan daaruit de gevolgtrekking worden gemaakt dat de arbeidsovereenkomst zonder tegenspraak en stilzwijgend, de primaire rechtsgrond, is voortgezet? De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Stilzwijgende voortzetting impliceert dat tussen partijen wilsovereenstemming moet hebben bestaan, gericht op voorzetting van het dienstverband. Die wilsovereenstemming was er niet. Het beroep van werknemer op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW treft volgens de kantonrechter doel. De gemiddelde arbeidsomvang per maand wordt vastgesteld op 21,5 uur per week. De loonvordering wordt toegewezen. De vordering met betrekking tot de vakantietoeslag wordt niet toegewezen omdat genoegzaam is gebleken dat deze in de maand mei van enig jaar wordt uitbetaald.