Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22 juli 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:6880
Vordering werknemer tot toekenning voorschot op vergoeding van materiële schade als gevolg van een arbeidsongeval, wordt afgewezen. Omvang schade kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld. Daarvoor leent kortgedingprocedure zich niet.

Feiten

Werknemer is op 1 augustus 2017 bij werkgever in dienst getreden als natuursteenbewerker. Op 14 november 2017 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij een stenen keukenblad op het linker onderbeen van werknemer terecht is gekomen, wat resulteerde in een dubbele onderbeenbreuk en een enkelfractuur. Na zijn ziekmelding op 15 november 2017 ontving hij een ziektewetuitkering, gevolgd door een WIA-uitkering vanaf 13 november 2019. Hij ontvangt nog steeds een WIA-uitkering op basis van 80%-100% arbeidsongeschiktheid en een aanvullende bijstandsuitkering. Bij vonnis van 20 december 2019 is geoordeeld dat werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die werknemer heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het arbeidsongeval. Op 16 april 2021 hebben partijen een regeling getroffen, waarbij werkgever € 14.500 aan werknemer betaalde. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2023 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de klachten en beperkingen van werknemer het gevolg zijn van het bedrijfsongeval. De kantonrechter heeft daarnaast een bedrag van € 20.000 aan immateriële schadevergoeding toegewezen. Werknemer heeft werkgever in een bodemprocedure gedagvaard teneinde zijn materiële schade vergoed te krijgen. Werknemer heeft op 10 april 2024 executoriaal beslag onder ING gelegd en op 6 mei 2024 heeft ING € 24.528,75 overgemaakt naar ING Derdenbeslagen. Bij vonnis van 17 mei 2024 is geoordeeld dat daarmee te veel was geïnd en dat werknemer een bedrag van € 13.581,27 moest terugbetalen. Op 22 mei 2024 heeft werknemer conservatoir eigenbeslag gelegd op de vordering van € 13.581,27 die werkgever op hem heeft. In conventie eist werknemer een voorschot van € 50.000 voor door hem geleden materiële schade. In reconventie eist werkgever onder meer opheffing van het op 22 mei 2024 gelegde conservatoir eigenbeslag.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Vordering werknemer leent zich niet voor behandeling in kort geding

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van werknemer zich niet leent voor behandeling in kort geding. Vooropgesteld wordt dat de aansprakelijkheid van werkgever voor het arbeidsongeval en het causaal verband tussen de klachten en beperkingen van werknemer en het arbeidsongeval voorlopig voldoende vaststaan. De kantonrechter baseert dit op de twee eerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam. Voor toewijzing van het door werknemer gevorderde voorschot dient ook de omvang van de door werknemer gestelde schade voldoende aannemelijk te zijn. Gegeven de uiteenlopende standpunten van partijen over de materiële schade die werknemer als gevolg van het arbeidsongeval zou hebben geleden, kan de omvang van de materiële schade niet eenvoudig worden vastgesteld zonder nader onderzoek, waarvoor de kortgedingprocedure zich naar haar aard niet leent. Bovendien is terughoudendheid geboden bij het toewijzen van een voorschot vanwege het restitutierisico en is het spoedeisend belang van werknemer onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarom wordt het gevorderde voorschot op vergoeding van de materiële schade afgewezen.

Eigenbeslag wordt niet opgeheven

De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat werkgever aansprakelijk is voor het arbeidsongeval en dat er een causaal verband bestaat tussen de klachten en beperkingen van werknemer en het ongeval. Dat werknemer wel enige schade heeft geleden, acht de kantonrechter dan ook aannemelijk. Het feit dat de exacte omvang van de schade in deze kortgedingprocedure niet kan worden vastgesteld, betekent niet dat werknemer in het geheel geen aanspraak heeft op schadevergoeding. Dit zal verder moeten worden onderzocht in de bodemprocedure. De vordering van werknemer is voorts niet summierlijk ondeugdelijk. Ten aanzien van de door werkgever gestelde onnodigheid van het beslag wordt overwogen dat niet is gebleken dat werkgever voldoende zekerheid heeft gesteld. Het door werknemer op 22 mei 2024 gelegde conservatoire eigenbeslag wordt dan ook niet opgeheven.