Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 augustus 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:8222
Feiten
Werkneemster stelt dat zij sinds 1 augustus 2022 bij Mister Pita, de eenmanszaak van haar zus X, werkte als restaurantmedewerkster. Zij geeft aan op 14 april 2024 op staande voet te zijn ontslagen. Zij legt zich (na een wijziging van het verzoek tijdens de zitting) bij het ontslag neer en vraagt om een billijke vergoeding en een transitievergoeding. Verder verzoekt werkneemster om werkgever te veroordelen achterstallig loon, vakantiegeld en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten te betalen, om loonstroken over de maanden maart en april 2024 en een eindafrekening af te geven en om de Horeca-cao na te leven.
Oordeel
Voor werkneemster is het niet duidelijk waarom zij ontslagen is. Zij geeft aan dat er volgens haar zus sprake zou zijn geweest van disfunctioneren en ‘een incident’, maar dat dit onjuist is. Werkgever is niet ter zitting verschenen en heeft dus niet toegelicht wat de dringende reden voor het ontslag was. Dit betekent dat er geen dringende reden is komen vast te staan voor het een ontslag op staande voet en dat het ontslag daarmee alleen al om die reden niet rechtsgeldig is. De andere voorwaarden hoeven dus niet meer te worden beoordeeld. Omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet heeft werkneemster recht op een billijke vergoeding. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij een vergoeding vraagt van € 2.449,10, te weten twee keer de transitievergoeding waarop zij recht meent te hebben. De kantonrechter wijst dit verzoek toe. Daarnaast moet werkgever de transitievergoeding, achterstallig salaris en achterstallig vakantiegeld betalen.