Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/SBM Offshore N.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 september 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:5851
Voormalig werknemer vordert verklaring voor recht over onrechtmatig handelen SBM Offshore, schadevergoeding, rectificatie en een toekomstig verbod op het doen van voor werknemer schadelijke uitlatingen. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen.

Feiten

Werknemer was van 17 november 2003 tot 6 juni 2012 als (senior) juridisch medewerker in dienst van (een dochteronderneming van) SBM. Werknemer stelt dat SBM onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door (i) hem publiekelijk te beschuldigen van het zijn van ‘chanteur’ en ‘iemand die een poging tot afpersing zou hebben gedaan’, (ii) het (laten) doen van aangifte tegen werknemer en het niet (laten) intrekken van deze aangifte en (iii) het naar buiten brengen dat zij aangifte heeft gedaan tegen werknemer. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat SBM onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, een schadevergoeding, rectificatie en een verbod op het doen van voornoemde uitlatingen door SBM op grond van schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. Ook vordert werknemer dat twee voormalig bestuurders van SBM in de toekomst wordt verboden voornoemde uitlatingen te doen.

Oordeel

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verjaring

Het beroep van SBM op verjaring gaat niet op. Vast staat dat de advocaat van werknemer op 31 januari 2017 en 18 januari 2022 een e-mail heeft gestuurd aan de advocaat van SBM, zijnde een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW, waarmee de eventuele verjaring van zijn vorderingen jegens SBM is gestuit. Ook twee voormalig bestuurders (bestuurder 1 en 2) hebben gesteld dat de vordering ten aanzien van een verbod tot het publiekelijk aan werknemer refereren als onder andere afperser is verjaard. Bestuurders 1 en 2 hebben terecht aangevoerd dat de e-mails van 31 januari 2017 en 18 januari 2022 en de bijgevoegde stuitingsverklaringen alleen gericht waren aan SBM. De dagvaarding is pas betekend op 15 september 2023. Dat is op grond van artikel 3:316 lid 1 BW te laat. De aanvang van de verjaringstermijn valt namelijk uiterlijk gelijk met de laatste verklaringen van bestuurder 1 in december 2014 en van bestuurder 2 in mei 2015. Sindsdien is tot aan de dagvaarding meer dan vijf jaar verstreken. De vordering op de bestuurders is dan ook verjaard. Daarom komt de rechtbank alleen toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van werknemer op SBM.

Aangifte tegen werknemer

Een aangifte is alleen onrechtmatig als de beschuldiging ongegrond is, de aangifte voor een onjuist doel wordt gebruikt, of als deze onzorgvuldig of onbehoorlijk wordt gedaan. SBM mocht aangifte doen van afpersing gebaseerd op de e-mails van werknemer, waarin hij een verband legde tussen het onthullen van informatie en een vergoeding. Hoewel er later onvoldoende bewijs was om werknemer te vervolgen, maakt dit de aangifte niet onrechtmatig.

Onrechtmatige uitlatingen?

Werknemer stelt dat SBM hem publiekelijk heeft aangeduid als afperser en dat dit onrechtmatig was. De uitlatingen van SBM worden per publicatie beoordeeld. In persbericht I wordt werknemer beschuldigd van een poging tot afpersing, zonder dat zijn naam wordt genoemd. Hoewel het een ernstige beschuldiging betreft, was de uitlating gebaseerd op de feiten en werd deze gedaan in het kader van een verdediging tegen eerdere beschuldigingen. Deze uitlatingen zijn niet onrechtmatig, gezien de context en het feit dat SBM zich mocht verdedigen tegen onterechte aantijgingen. De aangifte en de uitlatingen van SBM zijn niet onrechtmatig jegens werknemer, zodat deze vorderingen van werknemer worden afgewezen.

Voorts acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat SBM in persbericht I termen als ‘extortion attempt’ en ‘extortion’ gebruikte met betrekking tot werknemer, omdat het een reactie was op vermeende onterechte beschuldigingen in de media. SBM heeft zich binnen de grenzen van het betamelijke verdedigd, zonder de naam van werknemer te noemen of andere privacygevoelige details te delen.

In interviews met bestuurder 2 in NRC en Valor bespreekt hij de corruptie binnen SBM, waarbij hij verwijst naar werknemer als iemand die zou hebben geprobeerd het bedrijf af te persen. Dit was onnodig en onjuist, aangezien de vragen hier niet direct over gingen en werknemer niet betrokken was bij de corruptie zelf. Hierdoor heeft bestuurder 2 ten onrechte de suggestie gewekt dat werknemer deel zou uitmaken van een corruptieschandaal.

De rechtbank concludeert dat de uitlatingen in de NRC- en Valor-artikelen onrechtmatig zijn, vooral omdat ze onvoldoende steun vinden in de feiten en de suggesties ernstige gevolgen kunnen hebben voor de reputatie van werknemer. In persbericht II en III heeft SBM echter binnen redelijke grenzen gereageerd op beschuldigingen door werknemer en wordt de inhoud daarvan niet als onrechtmatig beschouwd. SBM had in deze persberichten de naam en aangifte van werknemer weliswaar kunnen vermijden, maar dit levert geen onrechtmatigheid op gezien de context en eerdere publicaties in de media. SBM heeft werknemer herhaaldelijk beschuldigd van poging tot afpersing, en heeft hiermee wél onrechtmatig gehandeld. SBM had meer terughoudendheid moeten tonen, zeker omdat werknemer bij naam werd genoemd, hij geen kans kreeg om te reageren en een eenzijdig beeld van het geschil werd geschetst. SBM heeft de beschuldigingen ook op haar website gepubliceerd, wat de impact vergrootte. In publicaties van Upstream wordt werknemer ook genoemd, maar de rechtbank oordeelt dat SBM hier geen onrechtmatigheid beging omdat een evenwichtig beeld werd geschetst, inclusief het weerwoord van werknemer en zijn advocaat.

SBM heeft onrechtmatig gehandeld met onder meer haar uitingen in het NRC-artikel en het Valor-artikel. Een rectificatie wordt niet uitgesloten, ondanks de verstreken tijd, maar SBM zal geen toekomstig verbod op vergelijkbare uitlatingen krijgen. De rechtbank geeft werknemer de gelegenheid om de omvang van de schade verder te onderbouwen, maar wijst een schadestaatprocedure voorlopig af.