Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Holland Gebouw Onderhoudsgroep B.V.
Hoge Raad, 25 oktober 2024
ECLI:NL:HR:2024:1540
Cao in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf 2022-2024 voorziet niet in tussentijdse opzegmogelijkheid arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Feiten

Werknemer is bij Holland Gebouw Onderhoudsgroep B.V. (hierna: HGO) werkzaam op basis van een (tweede) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met als einddatum 14 augustus 2022. Op de arbeidsovereenkomst is de cao in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf 2022-2024 (hierna: de cao) van toepassing. In de arbeidsovereenkomst is geen tussentijds opzegbeding opgenomen. Werknemer heeft op 29 maart 2022 zijn dienstverband bij HGO opgezegd per 1 mei 2022. HGO heeft met die opzegging ingestemd onder de voorwaarde dat – kort gezegd – werknemer geheimhouding in acht neemt en hij binnen twee jaar na vertrek bij HGO geen van haar relaties zal benaderen en ook niet bij die relaties in dienst zal treden. Bij brief van 2 mei 2022 heeft HGO werknemer medegedeeld dat haar voorstel is komen te vervallen, omdat werknemer heeft geweigerd aan de voorwaarde te voldoen. Tussen partijen is – in de kern – in geschil de vraag of werknemer de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat werknemer de arbeidsovereenkomst met HGO onregelmatig heeft opgezegd en hem veroordeeld tot betaling aan HGO van € 7.199,54.

Voor zover in cassatie van belang was het hof van oordeel dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kon opzeggen omdat geen tussentijds opzegbeding was overeengekomen, en dat werknemer daarom aan HGO een vergoeding is verschuldigd als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW. Daarbij overwoog het hof dat artikel 10 lid 4 van de cao (“Bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst moet 1 maand opzegtermijn, beginnend op zaterdag, in acht worden genomen”) zo moet worden begrepen dat daarin een termijn voor opzegging is geregeld, voor het geval dat – ingevolge artikel 7:667 lid 3 BW – de arbeidsovereenkomst door de werknemer kan worden opgezegd. In de cao is naar het oordeel van het hof echter geen tussentijdse opzegmogelijkheid te lezen. Het hof heeft de vergoeding wegens onregelmatige opzegging gematigd tot € 7.700,19 (drie maandsalarissen).

Werknemer heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Conclusie A-G (Drijber)

De A-G staat in zijn conclusie stil bij de (on)mogelijkheid van tussentijdse opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vervolgens bij de uitleg van de hier toepasselijke cao. De A-G overweegt dat de cao er hier zijns inziens niet in voorziet dat een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden opgezegd, zoals bedoeld in artikel 7:667 lid 3 BW. Behoudens de afwijking dat de opzegtermijnen voor werknemer (lid 4) en werkgever (lid 5) beginnen op zaterdag, kan de inhoud van artikel 10 van de cao moeilijk anders worden gezien dan een weergave van het wettelijk ontslagstelsel. Dat artikel 10, aanhef en lid 4 (en lid 5) van de cao bepaalt dat de arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd door opzegging door de werknemer (resp. de werkgever), lijkt de A-G een te smalle basis om aan te nemen dat hiermee sprake is van het overeenkomen van het recht voor ieder van de partijen tot tussentijdse opzegging van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:667 lid 3 BW. Hierbij betrekt de A-G dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als uitgangspunt niet tussentijds kan worden opgezegd en dat het wettelijk vormvereiste ten doel heeft om elke onduidelijkheid te voorkomen.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Oordeel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).