Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 24 oktober 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:17274
Feiten
Werkneemster volgt bij de Hogeschool Utrecht de opleiding tot physician assistent (PA). Een belangrijk deel van deze opleiding bestaat uit het opdoen van ervaring in de praktijk onder begeleiding van een huisarts. Tussen werkneemster en de huisartsenpraktijk Laila B.V. (hierna: huisartsenpraktijk) is per 1 juli 2022 een ‘onderwijsarbeidsovereenkomst’ gesloten voor een bepaalde tijd tot 1 april 2024. Daarnaast is per 1 juli 2022 tussen partijen een arbeidsovereenkomst gesloten voor de functie van ‘PA in opleiding’, met een arbeidsduur van 32 uur per week tegen een salaris conform salarisschaal 9, trede 21 van de toepasselijke Cao Huisartsenzorg. Deze arbeidsovereenkomst is per 28 februari 2023 stilzwijgend verlengd en eindigt van rechtswege per 28 februari 2025. Bij werkneemster is op 29 juli 2022 de diagnose ADHD-C vastgesteld. De opleider van de huisartsenpraktijk (tevens huisarts) heeft werkneemster, nadat zij een patiënt had beloofd oorbellen te geven, erop aangesproken dat zij hiermee de grenzen van een gezonde behandelaar-patiëntrelatie heeft overschreden. Werkneemster heeft voor de maanden februari en maart 2024 onbetaald verlof opgenomen met als doel te kunnen afstuderen. Op 12 februari 2024 heeft werkneemster voor dezelfde patiënt aan wie zij eerder de oorbellen had beloofd een brief gestuurd aan de rechtbank Den Haag uit naam van de huisartsenpraktijk, met daarin het verzoek een nieuwe bewindvoerder aan te stellen. Werkneemster mag geen patiënten meer behandelen, maar wordt wel in de gelegenheid gesteld om haar laatste opdrachten af te maken voor de afronding van haar opleiding. Werkneemster wil patiënten blijven behandelen met als gevolg dat er een conflict ontstaat. De huisartsenpraktijk bevestigt (schriftelijk) dat werkneemster tot het einde van haar dienstverband op non-actief wordt gesteld en dat haar geen nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden. De arbeidsovereenkomst eindigt op 28 februari 2025. De onderwijsarbeidsovereenkomst tussen partijen is op 1 april 2024 van rechtswege geëindigd. Werkneemster vordert wedertewerkstelling en (door)betaling van (achterstallig) loon. De op non-actiefstelling is in strijd met de toepasselijke bepalingen van de Cao Huisartsenzorg en bovendien wordt zij door de op non-actiefstelling gediscrimineerd vanwege haar ADHD.
Beoordeling
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering tot wedertewerkstelling moet worden afgewezen, omdat onvoldoende waarschijnlijk is geworden dat deze in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De kantonrechter is met de huisartsenpraktijk van oordeel dat werkneemster met het verzenden van de brief (wederom) de grenzen van de behandelaar-patiëntrelatie heeft overschreden. Met het versturen van de brief heeft werkneemster de huisartsenpraktijk laten optreden als vertegenwoordiger van de patiënt in een juridische procedure. Anders dan werkneemster meent, is dat geen handeling die valt onder het goed hulpverlenerschap als bedoeld in artikel 7:453 BW. Ook artikel 7:465 BW, dat gaat over de vertegenwoordiging van een wilsonbekwame patiënt, vormt daarvoor geen grondslag. Ook valt haar aan te rekenen dat zij geen overleg heeft gehad met haar opleider voordat zij de brief verstuurde. Werkneemster ontbreekt het aan leerbaarheid en zelfreflectie. De kantonrechter vindt het goed te begrijpen dat de huisartsenpraktijk geen vertrouwen meer heeft in de leerbaarheid van werkneemster en dat de opleider haar niet meer onder zijn verantwoordelijkheid met patiënten wil laten werken. De kantonrechter is van oordeel dat de op non-actiefstelling niet in strijd is met de Cao Huisartsenzorg. De kantonrechter volgt werkneemster niet in de stelling dat er sprake is van onrechtmatige discriminatie op grond van ziekte, omdat vast is komen te staan dat de huisartsenpraktijk op het moment van de op non-actiefstelling niet op de hoogte was van de ziekte van werkneemster. De vordering tot doorbetaling van loon wordt (deels) toegewezen.