Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 13 december 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:13943
Feiten
Werknemer is op 19 november 2006 in dienst getreden bij Klüh Service Management Nederland B.V. (hierna: Klüh) in de functie van medewerker vliegtuigschoonmaak. Sinds 7 maart 2022 heeft werknemer zijn werkzaamheden niet meer verricht in verband met ongeschiktheid wegens ziekte. Met ingang van 4 maart 2024 is een IVA-uitkering toegekend vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Klüh heeft op 5 augustus 2024 toestemming van het UWV gekregen om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Klüh heeft geen gebruik gemaakt van de ontslagvergunning. Klüh heeft op 8 oktober 2024 aan werknemer laten weten dat de arbeidsovereenkomst op 18 oktober 2024 zal worden beëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en dat zij daarom geen transitievergoeding is verschuldigd. Werknemer verzoekt Klüh te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding van € 9.065,12 bruto wegens schending van de norm van het goed werkgeverschap. Klüh verzet zich met de stelling dat indien zij na ontvangst van de ontslagvergunning en rekening houdend met de opzegtermijn van vier maanden en de duur van de procedure bij het UWV de arbeidsovereenkomst had opgezegd, deze later was geëindigd dat de AOW-datum van 18 oktober 2024. Van een slapend dienstverband is geen sprake, omdat het dienstverband van rechtswege is geëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Een transitievergoeding is volgens haar in dat geval niet verschuldigd.
Oordeel
Onder verwijzing naar de Xella-uitspraak (ECLI:NL:HR:2019:1734) wijst de kantonrechter het verzoek van werknemer toe. Werknemer heeft op 18 september 2024 een voorstel gedaan tot beëindiging van zijn slapende dienstverband onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij heeft hij Klüh gewezen op de compensatieregeling voor werkgevers die na beëindiging van een dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid een transitievergoeding hebben betaald. Vaststaat dat werknemer op 4 maart 2024 twee jaar of langer arbeidsongeschikt was en aan hem een voorlopige WIA-uitkering is toegekend. Sindsdien is er sprake van een slapend dienstverband. Het beroep van Klüh op de uitspraak van de rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2023:784) en het betoog dat de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij een rechtmatige opzegging zou eindigen is gelegen na de AOW-datum, maakt het oordeel niet anders. Klüh heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door niet in te stemmen met het voorstel van werknemer tot beëindiging van het slapend dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding. Werknemer heeft hierdoor schade geleden, die gelijk is aan de misgelopen transitievergoeding.