Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24 februari 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:2261
Feiten
Werkneemster is op 5 september 2022 in dienst getreden bij werkgever en werkte bij een tankstation in Gouda. De arbeidsovereenkomst had een looptijd tot 5 september 2025. Haar salaris, inclusief vakantietoeslag, bedroeg gemiddeld € 2.059,25 bruto per maand. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst op 8 oktober 2024 met terugwerkende kracht per 30 september 2024 opgezegd, in verband met een conflict dat werkgever met zijn opdrachtgever heeft. Rond dezelfde periode heeft werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten opgezegd, waarna vier werkneemsters een procedure zijn gestart bij de kantonrechter. Werkneemster berust in de opzegging. Zij doet in haar verzoekschrift een aantal verzoeken die zien op de afwikkeling van haar dienstverband. Werkneemster vordert een gefixeerde schadevergoeding van € 4.118,50 bruto (twee maandsalarissen inclusief vakantietoeslag). Ze stelt dat werkgever haar arbeidsovereenkomst onterecht heeft opgezegd zonder de juiste procedures te volgen. Ook vordert zij een transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 25.714,92 bruto, gelijk aan het loon dat zij zou hebben ontvangen tot het einde van haar arbeidsovereenkomst in september 2025. Werkneemster vordert ook € 4.296,10 bruto aan nog niet uitbetaald loon over augustus en september 2024, inclusief vakantietoeslag vanaf juni 2024. Ze vordert de wettelijke verhoging wegens te late betaling van het loon en wettelijke rente vanaf 27 november 2024. Werkneemster stelt dat de vier vennoten van de vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verschuldigde bedragen.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Werkgever had een opzegtermijn in acht moeten nemen en vooraf toestemming moeten vragen bij het UWV. Omdat dit niet is gebeurd, heeft werkneemster recht op een gefixeerde schadevergoeding van € 4.118,50 bruto. Het verweer van werkgever, dat werkneemster ander werk had kunnen accepteren, wordt verworpen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de reden voor het niet doorgaan van die functie lag in haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal en niet in haar weigering om op de fiets naar het werk te gaan. Ook de transitievergoeding wordt toegekend.
Met betrekking tot de billijke vergoeding oordeelt de kantonrechter dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een bedrag gelijk aan haar loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst in 2025. Hoewel werkgever onjuist heeft gehandeld door het ontslag niet via het UWV te laten verlopen, is het aannemelijk dat een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische redenen uiteindelijk zou zijn toegewezen. Daarom wordt de billijke vergoeding vastgesteld op 1,5 maandsalaris, wat neerkomt op € 3.100 bruto.
Het achterstallige loon over augustus en september 2024, inclusief de vakantietoeslag vanaf juni 2024, wordt zonder verweer van werkgever volledig toegewezen. Dit betekent dat werkneemster recht heeft op € 4.296,10 bruto. Daarnaast wordt de wettelijke verhoging vanwege de te late betaling toegekend, maar gematigd tot 15% vanwege de financiële problemen van de werkgever. De wettelijke rente wordt toegekend vanaf 27 november 2024.
Vennootschappen
Tot slot oordeelt de kantonrechter dat de vier (voormalige) vennoten van de vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de betaling van de verschuldigde bedragen. Ook de vennoten die per 1 september 2024 uit de vennootschap zijn getreden, blijven aansprakelijk, aangezien het ontslag kort daarna plaatsvond en zij destijds nog deel uitmaakten van de onderneming. Werkneemster kan haar vorderingen dus op zowel de vennootschap als op elke afzonderlijke vennoot verhalen.