Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 januari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1151
Feiten
Werkneemster was van 15 augustus 2023 tot en met 14 augustus 2024 in dienst van ABN AMRO op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op haar arbeidsovereenkomst was de Arbeidsvoorwaarden cao ABN AMRO van toepassing. In deze cao staat dat het vaste dienstverband voor onbepaalde tijd de regel is, en het tijdelijke contract voor bepaalde tijd de uitzondering is en dat ABN AMRO uiterlijk een maand voor afloop schriftelijk laat weten of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt voortgezet en zo niet, dat wordt uitgelegd waarom niet. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat ABN AMRO heeft nagelaten haar te informeren over de redenen waarom zij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft gekregen, terwijl een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de regel is op grond van de cao. Ook heeft ABN AMRO nagelaten haar te informeren over het feit dat men niet tevreden was over haar functioneren en te sturen op de aspecten die aanleiding waren voor het niet voortzetten van de overeenkomst. Ook heeft ABN AMRO de privacy van werkneemster meermaals geschonden door haar (in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming, hierna: AVG) zonder toestemming ziek te melden en vervolgens herhaaldelijk na te laten de onterechte ziekmelding te corrigeren. ABN AMRO heeft verweer gevoerd en stelt dat het beroep op artikel 7:673 lid 9 BW nieuw is en buiten de vervaltermijn van drie maanden is ingesteld. Het stond ABN AMRO verder vrij om te kiezen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en het stond haar vrij om ervoor te kiezen deze niet te verlengen.
Oordeel
De kantonrechter verwerpt het betoog van ABN AMRO dat het beroep op artikel 7:673 lid 9 BW voor het eerst bij de wijziging van het verzoek op 7 december 2024 is gedaan en dus buiten de vervaltermijn is ingesteld. Hoewel werkneemster in haar verzoekschrift geen expliciet beroep op artikel 7:673 lid 9 BW heeft gedaan, kan uit de verwijzing naar ernstige verwijtbaarheid en naar de toekenning van een billijke vergoeding worden afgeleid dat het oorspronkelijke verzoek ook al op dat artikel is gebaseerd. Van een nieuw verzoek dat buiten de vervaltermijn is ingediend, is dus geen sprake. De kern van het verwijt van werkneemster is dat ABN AMRO – als er al iets schortte aan haar functioneren zoals ABN AMRO stelt maar door werkneemster wordt betwist – heeft nagelaten om dat met haar te bespreken en te sturen op verbetering, waardoor het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst uit de lucht kwam vallen. Voor zover dit nalaten van ABN AMRO bovendien al ernstig verwijtbaar zou zijn, heeft werkneemster onvoldoende over het voetlicht weten te brengen dat de arbeidsovereenkomst wel zou zijn voortgezet als ABN AMRO dit anders had aangepakt. Uit de door partijen overgelegde correspondentie en uit hun stellingen tijdens de mondelinge behandeling blijkt immers dat de samenwerking tussen partijen van meet af aan stroef verliep. ABN AMRO heeft de vinger aan de pols gehouden en begin april te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst mogelijk niet zou worden verlengd als werkneemster geen andere passende plek binnen ABN AMRO zou vinden. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst uit de lucht kwam vallen. De overige verwijten die werkneemster ABN AMRO maakt, leiden niet tot een ander oordeel. Het verzoek van werkneemster tot betaling van een billijke vergoeding is niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de door werkneemster verzochte verklaring voor recht dat ABN AMRO haar verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap heeft geschonden (door de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten) en het daarop gebaseerde verzoek tot betaling van schadevergoeding. De gestelde schade hangt slechts samen met het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding daarvoor is geregeld in artikel 7:673 lid 9 BW. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO komt een schadevergoeding om deze reden evenmin op grond van artikel 7:611 BW voor toewijzing in aanmerking.