Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 4 maart 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:1257
In deze procedure vraagt werknemer om nabetaling van loon op basis van een algemeen verbindend verklaarde Nederlandse cao.

Feiten

Werknemer werkte van 26 maart 2014 tot 15 mei 2017 als internationaal vrachtwagenchauffeur bij [bedrijf 1], op basis van arbeidsovereenkomsten onder Tsjechisch recht. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in mei 2017, vorderde werknemer op 12 november 2022 nabetaling van loon, omdat hij volgens hem conform de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg had moeten worden betaald, hetgeen niet is gebeurd. Hij vordert € 62.413,87 aan achterstallig loon, vermeerderd met rente en een loonstrook, en verzoekt werkgever in de proceskosten te veroordelen. Werkgever verweert zich door te stellen dat hij geen werkgever van werknemer is, aangezien [bedrijf 1] zijn formele werkgever was. Volgens werkgever is Tsjechisch recht van toepassing en is de vordering verjaard, terwijl werknemer op 23 september 2016 afstand heeft gedaan van zijn vordering over de periode tot juni 2016. Ook betwist werkgever het gevorderde bedrag.

Oordeel

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht over het geschil tussen werknemer en werkgever op basis van de statutaire vestiging van werkgever in Nederland, zoals geregeld in artikel 21, lid 1 onder a Brussel I bis-verordening. Werknemer stelt een vordering te hebben op grond van een arbeidsovereenkomst met werkgever, die door werkgever wordt betwist. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst verdragsautonoom worden beantwoord. De kantonrechter oordeelt dat werknemer van 26 maart 2014 tot 15 mei 2017 daadwerkelijk voor en onder gezag van werkgever werkte, hoewel zijn loon door [bedrijf 1] werd betaald. Dit wordt ondersteund door onbetwiste bewijsstukken van werknemer. Daarom bestaat er tussen werknemer en werkgever een arbeidsovereenkomst. Wat betreft het toepasselijke recht oordeelt de kantonrechter dat, nu partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, het recht van het land waar werknemer zijn werkzaamheden verrichtte, bepalend is. De kantonrechter zal dit verder onderzoeken aan de hand van de regels van de Rome I-verordening en de rechtspraak van de Hoge Raad over het gewoonlijke werkland en de nauwere band met een ander land.

Het toepasselijke recht

De kantonrechter heeft beoordeeld of er een gewoonlijk werkland vastgesteld kan worden. Uit de feiten blijkt dat de transportopdrachten telkens vanuit Nederland, specifiek [vestigingsplaats 2], werden uitgevoerd, waar werknemer zijn werkcyclus begon en eindigde. In [vestigingsplaats 2] ontving werknemer ook zijn opdrachten en regelde hij zijn werk. De vrachtwagens, die als arbeidsinstrumenten gelden, bevonden zich eveneens in [vestigingsplaats 2]. De stelling van werkgever dat de vrachtwagens zich buiten Nederland bevonden, wordt niet gevolgd, aangezien werknemer telkens vanuit [vestigingsplaats 2] zijn werk begon. Het vervoer werd hoofdzakelijk in het buitenland uitgevoerd, maar de goederen werden zowel in Nederland als in het buitenland gelost. Gezien de belangrijkste gezichtspunten concludeert de kantonrechter dat Nederland als het gewoonlijke werkland moet worden aangemerkt, ook al verbleef werknemer veel tijd in Tsjechië en werd daar belasting afgedragen. De arbeidsovereenkomst vertoonde echter nauwere banden met Tsjechië, waar het salaris werd vastgesteld en uitbetaald, en waar werknemer zijn sociale en economische functies vervulde. Daarom wordt Tsjechisch recht van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst. De Detacheringsrichtlijn is niet van toepassing.  Die (herziene) Detacheringsrichtlijn ziet op werknemers die tijdelijk te werk gesteld worden buiten hun gewoonlijke werkland. Het gewoonlijke werkland is in dit geval Nederland. Niet is gesteld en ook niet gebleken dat werkgever (of [bedrijf 1] ) werknemer buiten Nederland te werk heeft gesteld op een van de in artikel 1 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn onder a tot en met c genoemde wijzen. De slotsom is dat de vorderingen worden afgewezen.