Naar boven ↑

Rechtspraak

(ex-)werknemers/Ketjen Netherlands B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 februari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1343
Pensioen. (Ex-)werkgeefster heeft zich niet als goed werkgever gedragen door de compensatie die zij had toegekend voor het in 2016 wegvallen van haar eigen bijdrage aan het indexatiefonds weg te geven in cao-onderhandelingen in 2021.

Feiten
(Ex-)werknemers zijn in dienst geweest bij Albemarle Catalysts Company B.V. (hierna: ACC), welke naam met ingang van 2 januari 2024 is gewijzigd in Ketjen Netherlands B.V. (hierna: Ketjen). Met ingang van 1 januari 2006 is een eigen pensioenfonds opgericht, Stichting Pensioenfonds Albemarle (hierna: SPA). Ketjen en SPA hebben een uitvoeringsovereenkomst gesloten voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2015. De pensioenovereenkomst tussen werknemers en Ketjen is vanaf 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2015 ondergebracht bij SPA. De pensioenovereenkomst maakt sinds 2011 bovendien onderdeel uit van de cao ACC/Ketjen. De inhoud en de uitvoering van de pensioenregeling (incl. indexatie) zijn vastgelegd in de cao en in de statuten en het pensioenreglement van SPA. Op basis hiervan heeft ACC/Ketjen zich tot 2045 verbonden jaarlijks een eigen bijdrage (€ 50.000) plus een tabelbijdrage te betalen. Omdat Ketjen onderdeel is van een groep die aan de Amerikaanse beurs is genoteerd, zijn de Amerikaanse boekhoudregels van toepassing. Om die reden heeft Ketjen op enig moment besloten per 2016 geen eigen bijdrage meer te betalen. Zij heeft zich daarvoor laten adviseren door een projectgroep. Naar aanleiding van dit advies heeft Ketjen de stopzetting van de eigen bijdrage gecompenseerd door een groter deel van de werknemersbijdrage toe te kennen. De tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenen zijn vervolgens overgedragen aan Delta Lloyd. Enig moment later heeft Ketjen via cao-onderhandelingen in 2021 afgesproken dat zij per 1 januari 2021 geen werknemersbijdrage meer beschikbaar stelt. Ketjen heeft haar medewerkers hierover in 2021 per brief geïnformeerd. De gepensioneerde werknemers zijn hierover niet geïnformeerd door Ketjen. In onderhavige procedure vorderen de (ex-)werknemers samengevat dat voor recht wordt verklaard dat Ketjen zich niet als goed werkgever heeft gedragen en onrechtmatig heeft gehandeld door (1) de jaarlijkse bijdrage aan het indexatiefonds stop te zetten per 1 januari 2016 en (2) per 1 januari 2021 niet langer een deel van de werknemersbijdrage voor het pensioen in het indexatiefonds te stoppen. In dat verlengde vorderen zij ook dat Ketjen wordt veroordeeld tot het maken van afspraken met de pensioenuitvoerder over toevoegingen aan het depot. Ketjen voert verweer en beroept zich op de niet-ontvankelijkheid van de (ex-)werknemers, verjaring van de vorderingen en de klachtplicht. 

Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat werknemers ontvankelijk zijn in hun vordering. Ook stelt de kantonrechter vast dat de vorderingen nog niet zijn verjaard. Er geldt immers een verjaringstermijn van vijf jaar nadat het schadeveroorzakende feit bekend is geworden. Dit was in 2021. Daarnaast hebben werknemers naar het oordeel van de kantonrechter de klachtplicht niet geschonden. Zodra zij kennis hebben gekregen van de oorzaken waardoor hun pensioen slechts beperkt werd geïndexeerd, hebben zij dit binnen bekwame tijd kenbaar gemaakt aan Ketjen. De kantonrechter gaat daarom over tot de beoordeling van goed werkgeverschap. De norm van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW is immers van toepassing op de pensioenovereenkomst als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, ook nadat de arbeidsovereenkomst voor het overige is geëindigd. Die beoordeling doet de kantonrechter in twee stappen (2016 en 2021).   

(I) 2016
Ten aanzien van het stopzetten van de eigen bijdrage in het indexatiefonds in 2016 geldt naar het oordeel van de kantonrechter dat Ketjen slechts niet als goed werkgever heeft gehandeld indien zij onzorgvuldig heeft gehandeld en de belangen van de gepensioneerden niet heeft onderzocht en heeft meegewogen. Hiervan is – in 2016 – geen sprake. Ketjen heeft met de sociale partners en de OR voor 1 januari 2016 een projectgroep opgericht. Uit het advies van deze projectgroep volgt dat zij op de hoogte was van het voornemen van Ketjen om haar eigen bijdrage aan het indexatiefonds stop te zetten. Ketjen heeft het verdere advies overgenomen en een besluit overeenkomstig het advies genomen, waarbij het wegvallen van de eigen bijdrage op een andere manier ruimschoots is gecompenseerd (door de toekenning van een groter deel van de werknemersbijdrage). Omdat zij het advies van de projectgroep over heeft genomen, moet ervan worden uitgegaan dat Ketjen zorgvuldig heeft gehandeld. Zij heeft er blijk van gegeven zich te hebben vergewist van de belangen van de gepensioneerden en dat zij deze belangen heeft meegewogen in haar besluit, dat zij op genoemd advies heeft gebaseerd. 

(II) 2021
Vervolgens zijn in de cao 2021 collectieve afspraken gemaakt tussen Ketjen en FNV en CNV. Onderdeel van deze cao-afspraken is dat de (in 2016 nog hoger toegekende) werknemersbijdrage niet langer wordt toegevoegd aan het indexatiefonds. Allereerst stelt de kantonrechter vast of de (ex-)werknemers aan deze afspraken zijn gebonden. In dat kader is niet gesteld of gebleken dat de (ex-)werknemers geen lid waren van een van deze vakbonden. Ook is een werkgever op grond van artikel 14 Wet Cao verplicht om de cao op niet-gebonden werknemers toe te passen. De (ex-)werknemers zijn dus op grond van de Wet Cao aan deze afspraken gebonden. Wel wordt Ketjen verweten dat zij de werknemersbijdrage (die zij in 2016 nog heeft toegekend voor een hoger bedrag ter compensatie van de weggevallen eigen bijdrage) in de cao-onderhandelingen in 2021 heeft weggeven. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat als zij het wegvallen van haar eigen bijdrage aan het indexatiefonds compenseert, zij het wegvallen van die compensatie eveneens compenseert. Dit heeft Ketjen nagelaten. Dit nadeel dient Ketjen dan ook te vergoeden. De omvang daarvan is even groot als de door Ketjen toegezegde eigen bijdrage in het indexatiefonds vanaf 1 januari 2021. De kantonrechter zal Ketjen in dat verlengde veroordelen om met een pensioenuitvoerder afspraken te maken om de overeengekomen bijdragen aan het indexatiefonds (€ 50.000 plus de tabelbijdrage) vanaf 1 januari 2021 tot en met het laatste jaar van de tabelbijdragen (2045) aan het indexatiefonds toe te voegen met dezelfde mate van consistentie zoals bedoeld in artikel 95 Pensioenwet, op straffe van een dwangsom van €  5.000 per dag tot een maximum van € 500.000.