Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11 maart 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:2692
Feiten
Werkende was van 1 juni tot 5 oktober 2024 als 'bedrijfsleider' werkzaam voor Outdoor Alpine in haar restaurant 'De Pannenkoekhut'. Op 5 oktober 2024 heeft Outdoor Alpine werkende beticht van diefstal en hem ontslagen, wat zij per e-mail op 8 oktober 2024 heeft bevestigd. Werkende vordert primair betaling van een transitievergoeding (€ 598,22 bruto), een vergoeding wegens onregelmatige opzegging (€ 19.266,11 of € 27.397,24 bruto), een billijke vergoeding (€ 15.155,46 bruto) en € 795 bruto aan loon, met wettelijke verhoging en rente, alsmede afgifte van deugdelijke loonstroken op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert werkende € 17.932,20 aan loon over de opzegtermijn en € 961,96 voor een factuur van 7 oktober 2024, met wettelijke rente. In beide gevallen vordert hij vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Outdoor Alpine betwist de vorderingen en vordert in reconventie € 2.613,53. Indien sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst die niet rechtsgeldig is geëindigd, verzoekt zij ontbinding daarvan, een verklaring dat werkende geen recht heeft op de transitievergoeding, en terugbetaling van facturen ad € 24.791,11. Ook vordert zij proceskosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de rechtsverhouding tussen werkende en Outdoor Alpine niet als een arbeidsovereenkomst kwalificeert, maar als een overeenkomst van opdracht. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443), waarin is bepaald dat de kwalificatie afhangt van de overeengekomen rechten en verplichtingen en niet van de bedoelingen van partijen. De kantonrechter overweegt dat verschillende factoren wijzen op een overeenkomst van opdracht. Zo heeft werkende zelf verzocht om de samenwerking in die vorm te gieten en een door hem aangeleverde modelovereenkomst gehanteerd. Ook factureerde hij wekelijks zijn gewerkte uren, waarbij Outdoor Alpine geen loonbelasting inhield of loonstroken verstrekte. Daarnaast had werkende een beroeps- en/of aansprakelijkheidsverzekering afgesloten en trad hij in het economisch verkeer soms als ondernemer en soms als werknemer op. Hoewel bepaalde aspecten, zoals de mate van instructie en de inbedding in de organisatie, op een arbeidsovereenkomst wijzen, wegen deze omstandigheden minder zwaar dan de aanwijzingen voor een overeenkomst van opdracht. Outdoor Alpine en werkende hebben zich gedurende de samenwerking meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen. De kantonrechter wijst daarom de primaire vorderingen van werkende af en komt niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van Outdoor Alpine. Outdoor Alpine heeft werkende ervan beschuldigd geld uit de kassa te hebben gestolen en dit als reden aangevoerd voor de onmiddellijke beëindiging van de samenwerking. De kantonrechter heeft vastgesteld dat werkende op 4 oktober 2024 een bedrag van € 242,50 voor zichzelf heeft gehouden en niet heeft afgedragen aan Outdoor Alpine. Hierdoor was het naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar dat Outdoor Alpine de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden in acht zou moeten nemen. De vordering van werkende voor een vergoeding wegens schending van de opzegtermijn is daarom afgewezen. Wel heeft de kantonrechter geoordeeld dat werkende recht heeft op betaling van zijn laatste factuur van € 961,95 voor gewerkte uren, waarvan € 242,50 wordt verrekend met het vastgestelde bedrag dat hij heeft achtergehouden. Per saldo is werkende daarom een bedrag van € 719,45 toegewezen. Ook is een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend van € 107,92 exclusief btw. De door Outdoor Alpine gevorderde bedragen wegens vermeende manipulatie van de kassa en ongeautoriseerde bestellingen zijn afgewezen, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat werkende hiervoor verantwoordelijk was. De proceskosten zijn grotendeels voor rekening van werkende, begroot op € 949 inclusief nakosten.