Naar boven ↑

Rechtspraak

Bouwman Coatings B.V./werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 maart 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:1340
Ontslag op staande voet van een werkneemster die niet betaalde voor verfartikelen en een kitspuit terecht vernietigd. Wedertewerkstelling terecht toegewezen. Vervangende vergoeding in verband met het niet beschikbaar stellen van de leaseauto.

Feiten
Werkneemster is sinds 1 juli 2021 in dienst van Bouwman Coatings B.V. (hierna: Bouwman), laatstelijk als financieel en operationeel manager tegen een salaris van € 4.106 bruto per maand exclusief emolumenten. Tot 18 december 2023 was mevrouw C (hierna: C) operationeel directeur bij Bouwman. Daarna bleef C aldaar werkzaam op interimbasis. Bij e-mail van 12 februari heeft C aan het personeel laten weten dat zij ging stoppen en dat zij alvast een deel van haar verantwoordelijkheden wilde overdragen aan werkneemster. Op 21 februari 2024 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 15 mei 2024 is werkneemster per e-mail op staande voet ontslagen, omdat uit onderzoek was gebleken dat werkneemster in drie transacties verschillende verfartikelen en een kitspuit heeft afgenomen zonder daarvoor te betalen. Werkneemster heeft de kantonrechter in eerste aanleg verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen, alsmede verzocht om wedertewerkstelling in haar eigen functie met teruggave van haar leaseauto. Bouwman heeft zich verweerd en voorwaardelijk om ontbinding verzocht op de e- en g-grond. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de wedertewerkstelling toegewezen. Daarvoor was volgens de kantonrechter relevant dat werkneemster voldoende heeft gesteld dat een deel van de verfartikelen voor C bestemd was, C haar voor het andere deel 100% korting heeft gegeven als beloning voor haar werkzaamheden en de kitspuit is geretourneerd. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Bouwman werd afgewezen, omdat onvoldoende was aangetoond dat sprake is geweest van frauduleus handelen door werkneemster en haar handelen, hoewel lichtvaardig, niet kwalificeert als verwijtbaar handelen. Bouwman heeft hoger beroep ingesteld. Volgens Bouwman mocht werkneemster niet aannemen dat C tijdens de drie transacties haar leidinggevende was, zijn de afboekhandelingen van de gestolen artikelen door werkneemster en niet door C gedaan én heeft werkneemster de kitspuit met een listige kunstgreep afgenomen. Werkneemster wijst erop dat Bouwman niet heeft voldaan aan de uitspraak van de kantonrechter op het punt van teruggave van de leaseauto. Zij verzoekt daarom om een vervangende vergoeding. 

Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. 

Ontslag op staande voet terecht vernietigd
Bouwman heeft het hof niet duidelijk gemaakt dat werkneemster, anders dan de kantonrechter oordeelde, C na 18 december 2023 niet meer als haar feitelijk leidinggevende mocht beschouwen. Daarbij is van belang dat de nieuwe directeur op 20 december 2023 heeft medegedeeld dat hij weliswaar directeur werd, maar dat er in de rapportagelijn niets zou veranderen en dat C het aanspreekpunt bleef. Verder heeft werkneemster zich ziek gemeld bij C en bleef C met haar contact houden tijdens haar ziekte. Verder heeft Bouwman onvoldoende aangetoond dat de afboekhandelingen van de verfartikelen door werkneemster en niet door C zijn gedaan. Daarvoor is relevant dat werkneemster heeft uitgelegd waarom C onder haar naam inlogde. Tot slot is niet komen vast te staan dat werkneemster de bestelde kitspuit heeft gekregen zonder daarvoor te (hoeven) betalen. Werkneemster heeft namelijk verklaard dat de spuit niet beviel en om die reden door haar is geretourneerd. Daarmee zijn de aan het ontslag ten grondslag gelegde verwijten uit de ontslagbrief van 15 mei 2024 niet komen vast te staan. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet terecht vernietigd.

Ontbinding terecht afgewezen
Volgens Bouwman heeft werkneemster zich ten koste van haar werkgever bevoordeeld en daarover geen verantwoording afgelegd. Bouwman miskent met dit standpunt dat zij werkneemster niet om verantwoording heeft gevraagd maar meteen ontslag heeft gegeven. In deze procedure heeft werkneemster zoals hierboven toegelicht de verantwoording wel verstrekt. Het hof vindt dat de afboeking ten behoeve van C en het aannemen van de korting in april niet zodanig aan werkneemster verwijtbaar zijn, dat dit ontbinding van haar arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Bouwman had in redelijkheid kunnen volstaan met een waarschuwing aan werkneemster. De kantonrechter heeft dan ook terecht de verzochte ontbinding afgewezen. Ook nu is er geen reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De door Bouwman gegeven onderbouwing van de verstoorde relatie is onvoldoende voor het aannemen van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Het mag zo zijn dat Bouwman niet verder wil, maar het hof ziet nog kansen en mogelijkheden, vooral in het kader van het tweede spoor.

Leaseauto
Ten aanzien van de leaseauto oordeelt het hof tot slot als volgt. De kantonrechter heeft Bouwman veroordeeld tot het ter beschikking stellen van de leaseauto. Bouwman is niet tot afgifte overgegaan. In hoger beroep neemt Bouwman de stelling in dat zij op grond van het personeelsreglement de auto mocht innemen na vier weken ziekte. Uit het personeelsreglement blijkt echter wel dat Bouwman weer een vergelijkbare leaseauto ter beschikking moest stellen vanaf het moment waarop werkneemster kon re-integreren, dus per 22 november 2024. Door dat na te laten, ondanks de veroordeling van de kantonrechter, komt werkneemster met terugwerkende kracht een vervangende vergoeding toe totdat zij weer de beschikking krijgt over een leaseauto en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, welke vergoeding het hof vaststelt op € 400 per maand. 

De eindconclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en Bouwman wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding aan werkneemster.