Rechtspraak
Feiten
Een voormalig notaris (hierna: eiser 1) heeft zijn notariskantoor verkocht aan gedaagde 1 en is na de verkoop nog enige tijd in dienst geweest bij dat kantoor. Via zijn holdingmaatschappij (hierna: eiser 2) hield hij alle aandelen in bedrijf 1 B.V. Gedaagde 1, die als kandidaat-notaris in dienst was bij voornoemd notariskantoor, heeft inmiddels dat kantoor overgenomen. Daartoe is op 3 juni 2021 een overnameovereenkomst getekend. De aandelen in het notariskantoor zijn vervolgens op 1 juli 2022 bij notariële akte geleverd aan gedaagde 3, destijds bedrijf 2 B.V. In de overnameovereenkomst en in de met eiser 1 gesloten tijdelijke arbeidsovereenkomst (duur van zes maanden) is een non-concurrentiebeding opgenomen. Tussen gedaagde 1 en eisers is een bodemprocedure aanhangig. In die procedure heeft gedaagde 1 onder meer betaling gevorderd van een boete van € 193.000 wegens overtreding van het non-concurrentiebeding uit de overnameovereenkomst en vergoeding van 50% van het verlies dat het notariskantoor volgens hem heeft geleden. Eisers hebben in die procedure onder meer uitbetaling gevorderd van 50% van de volgens hen door het notariskantoor gemaakte winst en aflossing van een rekening-courantschuld. Bij tussenvonnis van 26 juni 2024 heeft de rechtbank voor wat betreft het non-concurrentiebeding uit de overnameovereenkomst en de door gedaagde 1 gevorderde boete geoordeeld dat (a) er geen grond is voor de nietigheid of vernietigbaarheid van het non-concurrentiebeding, (b) de overnameovereenkomst niet kan worden gezien als arbeidsovereenkomst en (c) eisers niet worden gevolgd in de stelling dat het non-concurrentiebeding onduidelijk is. Eisers worden veroordeeld tot het betalen van een boete, die in het te wijzen eindvonnis zal worden gematigd tot € 10.000. Eisers hebben verzocht om tussentijds hoger beroep te mogen instellen tegen dat tussenvonnis. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. In dit kort geding ligt de vraag voor of aanleiding bestaat tot schorsing van beide bedingen.
Oordeel
Afstemmingsregel en de non-concurrentiebedingen
Het is vaste jurisprudentie dat de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bodemprocedure geen oordeel is gegeven over het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst, zodat de afstemmingsregel ten aanzien van dat beding niet van toepassing is. De voorzieningenrechter acht voorshands aannemelijk dat in een eventuele nieuwe bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst nietig is. Anders dan eisers menen, is in het tussenvonnis geen voorlopig oordeel gegeven met betrekking tot het non-concurrentiebeding uit de overnameovereenkomst. Het oordeel van de rechtbank betreft namelijk een bindende eindbeslissing. De voorzieningenrechter constateert echter dat de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis slechts gericht zijn op de door gedaagde 1 gevorderde boete in verband met de overtreding van dat non-concurrentiebeding, welke overtreding in het jaar na de levering van de aandelen heeft plaatsgehad. De rechtbank heeft in dat kader reeds geoordeeld dat zij geen grond ziet voor de nietigheid of vernietigbaarheid van het non-concurrentiebeding, zodat de voorzieningenrechter (in beginsel) aan dat oordeel gebonden is. Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst is in beginsel niet alleen een taalkundige uitleg van toepassing maar ook de bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en wat zij onder de omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. De voorzieningenrechter gaat er voorshands van uit dat partijen bij het aangaan van de overnameovereenkomst niet de bedoeling hebben gehad dat het non-concurrentiebeding uit die overeenkomst een onbepaalde duur zou hebben en dat zij op het punt van de duur van dat beding geen wilsovereenstemming hebben bereikt. Dit betekent dat er sprake is van een leemte in de overeenkomst, die op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden aangevuld. Om de specifieke duur van het non-concurrentiebeding in het onderhavige geval te bepalen en de leemte in de overeenkomst aan te vullen, dient een afweging plaats te vinden tussen het belang van gedaagde 1 bij handhaving van het beding en het belang van eiser 1 om van het beding te worden bevrijd. Dat gedaagde 1 als overnemende partij er belang bij had dat eiser 1 als verkopende partij hem na de overname van het notariskantoor geruime tijd geen concurrentie aan zou en zal doen, is evident. Hier staat tegenover dat eiser 1 er als oud-notaris belang bij heeft dat hij niet langer dan noodzakelijk wordt beperkt in zijn vrijheid om zijn notariële kennis en kunde in te zetten voor maatschappelijke doeleinden of om een aanvullend inkomen te genereren. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter een non-concurrentiebeding voor de duur van drie jaar in het onderhavige geval redelijk. De voorzieningenrechter acht het waarschijnlijk dat een bodemrechter zal oordelen dat eiser 1 vanaf 1 juli 2025 niet meer aan het non-concurrentiebeding uit de overnameovereenkomst kan worden gehouden. De voorzieningenrechter heeft daarom dat beding met ingang van 1 juli 2025 geschorst en de vorderingen van eisers worden dus in zoverre toegewezen.