Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/de Staat der Nederlanden
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 6 februari 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:2855
Ontslag op staande voet van werknemer die herhaaldelijk niet op gesprekken over werkhervatting verscheen. Procedure wordt aangehouden in afwachting van deskundigenoordeel UWV over de arbeidsongeschiktheid van werknemer.

Feiten
Werknemer is op 1 januari 20219 in dienst getreden bij de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiën, kantoor van de Belastingdienst te Hoorn (hierna: de Staat). Op 12 juni 2024 heeft werknemer zich vanwege fysieke en mentale klachten ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft in dat kader werknemer beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een medische aandoening waardoor werknemer zijn werk niet zou kunnen doen. De Staat heeft vervolgens werknemer per 8 juli 2024 hersteld gemeld en meerdere pogingen gedaan om met werknemer in gesprek te gaan over werkhervatting. De Staat had daarnaast een second opinion geregeld voor werknemer. Werknemer heeft hier echter geen gebruik van gemaakt, omdat het hem allemaal te veel zou zijn geworden. Hierna heeft werknemer niets meer van zich laten horen. Omdat werknemer opnieuw niet was verschenen op door de Staat georganiseerde gesprekken, is het loon van werknemer op 3 september 2024 op grond van artikel 7:628 BW stopgezet.  Bij brief van 19 september 2024 heeft de Staat werknemer op staande voet ontslagen wegens het herhaaldelijk, zonder voor de Staat kenbare geldige reden, niet verschijnen op gesprekken over zijn werkhervatting. Op 31 oktober 2024 heeft werknemer een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of hij zijn eigen werk weer volledig kan doen. In onderhavige procedure verzoekt werknemer de kantonrechter om de opzegging te vernietigen en de Staat te verplichten hem op te laten roepen door een bedrijfsarts. Ook verzoekt hij de Staat bij wijze van voorlopige voorziening te veroordelen tot betaling van zijn (achterstallig) loon vanaf 3 september 2024. Werknemer stelt dat hij als gevolg van zijn mentale gesteldheid niet in staat was adequaat te handelen of te reageren op de verzoeken van de Staat en hij de gevolgen daarvan niet kon overzien.

Oordeel
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en, in verband daarmee, of werknemer moet worden toegelaten tot zijn werk zodra hij tot werken in staat is. De kantonrechter kan die vraag op dit moment nog niet beantwoorden en licht dit als volgt toe. Op zichzelf staat vast dat werknemer herhaaldelijk door de Staat is opgeroepen om een gesprek te komen voeren over werkhervatting en dat werknemer toen telkens niet is verschenen. Werknemer heeft echter aangevoerd dat hij een goede reden had om geen gehoor te geven aan de oproepen van de Staat, namelijk omdat hij ziek was door depressieve klachten. Ter onderbouwing van die stelling heeft werknemer verwezen naar het door hem overgelegde huisartsdossier, verklaringen van zijn vader en (algemene) vakliteratuur over depressies. In de door werknemer overgelegde vakliteratuur staat dat mensen met een depressie zich vaak sociaal terugtrekken als een manier om overweldigende gevoelens te vermijden, wat direct verband houdt met de symptomen van depressie. De kantonrechter neemt ook aan dat dit (in het algemeen) zo is. Vooralsnog is echter niet uit objectieve medische gegevens gebleken dat het ontwijkende gedrag van werknemer te wijten is aan depressieve klachten. Ook de verklaringen van de (niet medisch onderlegde) vader van werknemer zijn onvoldoende om objectief te kunnen vaststellen of werknemer deze ziekte had. Daar komt bij dat naar het oordeel van de kantonrechter niet kan worden gezegd dat de Staat had moeten weten dat er mogelijk meer aan de hand was dan een werknemer die ‘gewoon niet meewerkt’. Daarbij speelt een rol dat werknemer (onweersproken) al eerder ontwijkend gedrag had vertoond. Het voorgaande neemt daarentegen niet weg dat het mogelijk is dat werknemer in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet daadwerkelijk arbeidsongeschikt was wegens ziekte (depressie), wat van belang is voor de vraag of sprake is van een dringende reden. Om duidelijkheid te krijgen over de mogelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet, ziet de kantonrechter aanleiding de beslissing van het UWV op het door werknemer aangevraagde deskundigenoordeel af te wachten. De kantonrechter zal de zaak daarom aanhouden tot één maand na de beschikkingsdatum voor uitlating door (de gemachtigde van) werknemer over de stand van zaken rond het aangevraagde deskundigenoordeel, onderbouwd met stukken van het UWV. De verzochte voorlopige voorziening wordt afgewezen, omdat er op dit moment nog onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat werknemer in de periode voorafgaand aan het ontslag daadwerkelijk ziek was.