Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 21 januari 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:229
Feiten
Werkgever AFM is een bedrijf dat zich bezighoudt met bakkerijmachines. Werknemer is op 20 augustus 2001 in dienst getreden bij AFM. AFM en werknemer zijn meer dan twintig jaar geleden een concurrentiebeding aangegaan voor de functie van werknemer als demonstrateur/commercieel medewerker. De laatste functie van werknemer bij werkgever was die van executive productmanager (EPM). Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 april 2024. Hij is per 19 april 2024 bij Vemag.NL B.V. (hierna: Vemag) in dienst getreden in de functie van sales manager bakkerij Nederland. AMF heeft de looptijd van het concurrentiebeding bij brief van 19 februari 2024 beperkt tot 1 april 2025. Werknemer heeft AMF gedagvaard en gevorderd, kort samengevat, om bij wege van voorlopige voorziening het concurrentiebeding te schorsen en AMF te veroordelen in de kosten van de procedure. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis het concurrentiebeding geschorst en AMF veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat het concurrentiebeding haar gelding heeft verloren omdat sprake is van een wijziging in de arbeidsverhouding van zo ingrijpende aard dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. AFM heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat het niet voorzienbaar was dat werknemer de functie van EPM zou gaan vervullen toen hij in dienst trad als demonstrateur/commercieel medewerker en instemde met het concurrentiebeding. Werknemer heeft onbetwist aangevoerd dat de nieuwe functie EPM pas is ontstaan in 2019, na de overname van Tromp door AMF Bakery Systems in 2012, en dat deze functie voordien in de Tromp-organisatie niet bestond. Dat de taken wel al zouden hebben bestaan onder een andere functietitel, maakt dat niet anders en AMF heeft dat bovendien niet onderbouwd. Mogelijk is het “geen ongebruikelijke stap” dat werknemer na de functie demonstrateur/commercieel medewerker te hebben vervuld, in sales is gaan werken, maar niet aannemelijk is geworden dat de wijziging van de arbeidsverhouding van demonstrateur/commercieel medewerker naar sales manager en in het bijzonder vervolgens naar executive product manager in het geval van werknemer redelijkerwijs voorzienbaar was. Daarbij is van belang dat werknemer de bakkersvakschool, een opleiding op mbo-niveau, heeft doorlopen en voor zijn indiensttreding bij Tromp drie jaar als bakker heeft gewerkt. Gelet op de omschrijving van werknemer van zijn taken in de door hem vervulde functies die AMF niet als zodanig heeft betwist, is het hof van oordeel dat in ieder geval de functie van EPM een ingrijpende wijziging vormt ten opzichte van de functie van demonstrateur/commercieel medewerker met het oog waarop het concurrentiebeding zo’n achttien jaar eerder was aangegaan. De reikwijdte van de werkzaamheden van de EPM is aanzienlijk groter, het niveau van de werkzaamheden (onder de general manager van AMF) is hoger en de verantwoordelijkheden in die functie, waaronder die voor de prijsstelling van de producten van Tromp-AMF, zijn beduidend zwaarder dan die in de functie van demonstrateur/commercieel medewerker. Het hof acht het verder aannemelijk dat door de ingrijpende functiewijzing het beding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Werknemer heeft een eenzijdige werkervaring. Hij is binnen Tromp/AMF langzaam opgeklommen en werkte laatstelijk in een functie waarin zijn specifieke kennis van het bakkersvak, de technische kant en de commerciële kant van de machines ten behoeve van bakkerijen samenkomen. Gezien het opleidingsniveau van werknemer is verder aannemelijk dat hij die combinatie van kennis en kwaliteiten op dat niveau en tegen het salaris behorend bij de functie van EPM alleen in de industriële bakkersbranche kan uitoefenen. Aangenomen dat dit inderdaad het geval is, is het aannemelijk dat het concurrentiebeding werknemer in veel gevallen zal verhinderen om bij deze bedrijven in dienst te treden. Het concurrentiebeding belemmert werknemer dus om bij een ander bedrijf op het gebied van bakkerijmachines te gaan werken en daarmee om een gelijkwaardige functie tegen een gelijksoortig salaris te kunnen uitoefenen. De kring van relaties en contacten (stakeholders) in de functie van EPM is uitgebreider en het aantal geschikte vacatures elders is beperkter, gelet ook op de hoogte van het salaris in de functie van EPM van € 95.443,90 bruto per jaar. Aannemelijk is dat werknemer dit laatste salaris uitsluitend kan verdienen als hij werkzaam blijft in de zeer gespecialiseerde industriële bakkersbranche omdat dit de enige branche is waar hij meer dan twintig jaar uitsluitend in werkzaam is geweest en kennis van heeft. In de functie van demonstrateur/commercieel medewerker had hij mogelijk nog bakker kunnen worden, in de bakkerijbranche kunnen gaan werken (anders dan bij de productie of verkoop van bakkerijmachines) of werkzaam kunnen zijn met andere machines in de foodindustrie. Het hof is van oordeel dat werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld. Het belang van werknemer om na een dienstverband van meer dan 22 jaar bij Tromp/AMF elders in dienst te kunnen treden in een gelijkwaardige functie en tegen een gelijkwaardig salaris, moet gelet op het grondrecht op vrijheid van arbeidskeuze, zwaarder wegen dan het belang van AMF bij handhaving van het concurrentiebeding.