Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Heinz European Holding B.V.
Rechtbank Amsterdam, 11 maart 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1721
Ontslag op staande voet. Verzoek tot vernietiging afgewezen, nu werkgever het ontslag op verzoek van werkneemster reeds ongedaan heeft gemaakt.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 januari 2022 in dienst bij Heinz als senior manager audit. Op 6 december 2024 is werkneemster op staande voet ontslagen. Heinz heeft het loon over 1 tot 6 december 2024 (€ 1.463,03 netto) uitbetaald in december 2024. De gemachtigde van werkneemster heeft op 12 december 2024 een brief, bedoeld voor de directie, aan de receptie van Heinz gezonden. In deze brief verzoekt de gemachtigde het ontslag op staande voet met terugwerkende kracht in te trekken. Vanaf 17 december 2024 is er contact geweest tussen (de gemachtigden van) werkneemster en Heinz. Vanaf dat moment zijn partijen in overleg geweest over een minnelijke regeling. Naar aanleiding van verdere gesprekken heeft Heinz werkneemster in de loop van januari 2025 zowel telefonisch als later per e-mail bericht dat het ontslag op staande voet in overleg tussen partijen ongedaan was gemaakt, zodat Heinz het dienstverband als ononderbroken voortgezet beschouwde, met inachtneming van alle geldende arbeidsvoorwaarden. Op 28 januari 2025 is een bedrag van € 9.000 netto betaald als voorschot op het salaris over de periode van 6 december 2024 tot en met 31 januari 2025. Toegezegd is dat vanaf februari 2024 het salaris weer op de gebruikelijke wijze door Heinz zal worden uitbetaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Heinz toegelicht dat er een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts zal worden gemaakt. Zolang er geen nieuw advies van de bedrijfsarts is, zal Heinz werkneemster niet belasten met werkzaamheden, ook niet in het kader van re-integratie. Werkneemster heeft een procedure aanhangig gemaakt ter vernietiging van het ontslag op staande voet.

Oordeel

De verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet wordt bij gebrek aan belang afgewezen. Heinz heeft het ontslag reeds eind januari 2025 ingetrokken en de loondoorbetaling is hervat. Het is juist dat een ontslag op staande voet een eenzijdige rechtshandeling is, zoals werkneemster stelt. Dat betekent in beginsel dat het niet eenzijdig, zonder instemming van de werknemer, kan worden ingetrokken. Dat is met name van belang indien de werknemer wenst te berusten in het einde van de arbeidsovereenkomst en inzet op een billijke vergoeding. In deze procedure is dat echter niet aan de orde. Werkneemster heeft immers zelf Heinz verzocht om het ontslag op staande voet ongedaan te maken. Ook in het verzoekschrift heeft zij vastgehouden aan de wens bij Heinz in dienst te blijven. Heinz is aan het verzoek van werkneemster tegemoetgekomen en het ontslag is inmiddels ook feitelijk ongedaan gemaakt. Bij deze stand van zaken heeft werkneemster onvoldoende onderbouwd welke toegevoegde waarde een beschikking van de kantonrechter op dit punt nog voor haar heeft. Niet betwist is dat de loondoorbetaling inmiddels is voortgezet. Het verzoek tot veroordeling van Heinz om het lopende loon te betalen wordt daarom eveneens afgewezen bij gebrek aan belang. Heinz zal wel worden veroordeeld tot betaling van het loon over de periode tussen 6 december 2024 en 31 januari 2025, met dien verstande dat de betaling van € 9.000 netto die is gedaan op 28 januari 2025 daarop in mindering wordt gebracht. Deze betaling strekt eerst in mindering op het loon van december 2024, omdat dat de oudste vordering is. Het restant strekt in mindering op het loon voor januari 2025. Gesteld noch gebleken is dat in de arbeidsovereenkomst afspraken zijn gemaakt over het tijdstip van loonbetaling. Op grond van artikel 7:623 BW geldt daarom dat Heinz het loon steeds uiterlijk moet betalen na afloop van de maand waarop het loon betrekking heeft. Dat betekent dat het loon over de periode 6-31 december 2024 niet op tijd is betaald. Ook het gedeelte van het loon van januari 2025 dat overblijft nadat de deelbetaling van 28 januari 2025 daarop in mindering is gebracht, is niet op tijd betaald. Op grond van artikel 7:625 BW is over deze bedragen de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter ziet aanleiding om het percentage te matigen tot 10%. De wettelijke rente over de bovenbedoelde bedragen wordt toegewezen op de in het dictum opgenomen wijze. Het verzoek tot veroordeling van Heinz om bruto-nettospecificaties af te geven wordt afgewezen bij gebrek aan belang. Heinz heeft ter zitting toegezegd dat zij deze specificaties zal afgeven. Er is geen reden om daaraan te twijfelen.